Zeer Korte Verhalen

zkv 11: Weekendje

Op maandag ligt er thuis altijd een flink pak kranten te wachten.

Ik lees die zorgvuldig, met de schaar (ik ben namelijk een fanatieke VWB – Verzamelaar van Woord en Beeld, vandaar). Ik sla geen bladzij over, héél soms een stukje economie, maar dat mag geen betekenis hebben, ik blijf hoedanook omnivorisch bezig, want je weet nooit waar de

diamanten zitten. (“She’s got diamonds on the soles of her shoes!” nee, laat maar)

Mijn techniek levert heel wat op: ik heb vele parels der wijsheid aan mijn vergetelheid ontrukt, ongekend fascinerende feiten gevonden en tig boeken volgeplakt met gouden shots.

Die foto’s zijn welliswaar fysiek van slechte kwaliteit, want op houthoudend papier gedrukt; hoogstens 150 jaar zullen ze mee gaan. En zelfs dan moet er niet te vaak naar gekeken worden – wat gek dat oud nieuws het daglicht niet verdragen kan… Of, toekomstige papierexperten (hé, eindelijk een Vlaamsigheid!) vinden ineens een methode waardoor krant niet meer, net als echte zalm, terugkeert naar de oorsprong. (zie Prediker, het hele hoofdstuk 1, niet alleen dat stukje “IJdelheid, etc”). Dat zou schoon zijn.

Meestal duurt het me toch te lang, dat lezen en knippen, want Procrastinator (Uitsteller) is mijn tweede naam. Bovendien wil ik altijd gauw klaar zijn zodat ik daarna legitiem kan lanterfanten (wat op zich weer zo’n mooi woord is dat ik ‘t bijna in ‘t echt mag, van mezelf).

Door het snel bladeren worden mijn vingertoppen letterlijk inktzwart. Wist U dat Engelse butlers-in-opleiding (bestaat echt, hoor!) het allereerst leren hoe ze ‘s morgensvroeg de kersverse Times stevig moeten strijken, opdat hun heer des huizes niet met vuile vingers aan het ontbijt verschijnt? (en dan maar blijven beweren dat die Britten geen esprit hebben!)

Afijn, in de ouderdom tranen de ogen dikwijls onbedoeld. Ik veeg dat dan, in reflex, weg, want ik wil bijvoorbeeld bij het Remco Campert-lezen (die man is met grote voorsprong Nederland’s beste dichter/colomnist, moge hem, en mij, en ons beider dierbaren, een lang en gezegend leven beschoren blijven) niet gestoord worden, door zijn leeftijd, noch door de mijne. (Korter die zinnen, Kars! De mensen gaan zappen anders.)

Wanneer ik eindelijk, te laat, te laat, altijd te laat!, op het atelier verschijn, zegt mijn goede vriend, collega-buur en groots materieschilder (full of promise!) Bernard Visser, mij vorsend en met kennersblik aankijkend: “Zo! Het was zeker weer een enerverend weekendje daar in Amsterdam!”

Nu ís het mogelijk, dat hij doelt op ongeschoren-zijn, maar dat komt vanwege mijn ijdelheid niet zó vaak voor.

zkv 09: Schijnzekerheid

Mijn moeder zaliger was jarenlang redelijk verliefd op God.

Ze had Hem, op haar 16de, min of meer per toeval, gevonden tijdens een retraite met haar vriendin Annie Levis, bij de Rooms Katholieke Zusters v/d Heilige Geest, Delfshaven, Rotterdam. Annie deed het niks, die raakte zelfs totaal van god los door ‘n motje nog geen jaar later met een halve kunstenaar. En armoei dat dát was (en blééf)!

Hij (God), de Vader, de Zoon en dat Onbegrijpelijke v/d Heilig Geest, paste net zo bij mijn moeder’s leven als de elegante, donkerbloedrode, kanten handschoentjes die ze bij haar trouwen droeg, en die door mijn zus in haar beste Ikea-vitrinekast samen met andere aandenkens van sentimentele aard bewaard en gekoesterd worden. In die zin heb ik haar Jeruzalem-bijbeltje, met de ingelegde, palmhouten kaften, georven. Vreemd genoeg is dat van protestantse makelij; “EN VOLGENS HET BESLUIT VAN DE SYNODE NATIONAAL, GEHOUDEN TE DORDRECHT, IN DE JAREN MDCXVIII EN MDCXIX, UIT DE OORSPRONKELIJKE TALEN IN ONZE NEDERLANDSCHE GETROUWELIJK OVERGEZET TE UTRECHT – Achter den Dom”, in 1892 gedrukt door het Britsche en Buitenlandsche Bijbelgenootschap. Het een-na-laatste zou wel eens kunnen kloppen want op de voorkant is bovenaan, in zwarte letters, Jerusalem (zonder “z”, dus Engels!) geschreven en onderaan, in een hups boogje hetzelfde, hoogstwaarschijnlijk, maar dan in het Hebreeuws.

Volgens mijn moeder was het ooit een  geschenk aan háár moeder van oudoom Rinus Ilmer, die op Israël voer als 2de machinist en, zo werd beweerd, de Heilige Stad had bezocht . In werkelijkheid kwam het uit de stichtelijke bibliotheek van een Belgische gevangenis waar hij 9 maanden “gezeten” had voor boter en tabak smokkel op Antwerpen, wat  niemand mocht weten, maar  iedereen wist.

Mijn moeder noch oma hebben er veel in gelezen; het goud-op-snee aan de kanten is nauwelijks gesleten. Tussen bladzij 400 en 401, eind Spreuken, begin Prediker ( “2 IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. 3 Wat voordeel heeft de mensch van al zijnen arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? 4 Het eene geslacht gaat, en het andere geslacht komt, maar de aarde staat in der eeuwigheid.”), vond ik een zorgvuldig afgeknipt reepje krantenpapier vergeeld en broos en volkomen blanco, (“8 …: het oog wordt niet verzadigd met zien, en het oor wordt niet vervuld van hooren.”)

 

Mijn vader geloofde niet, niet eens een beetje, of vaag. Naar eigen zeggen kon hij niet anders en dat was het eind v/h liedje. Misschien had hij in zijn jeugd teveel bemoeienis gezien van de zwartrokken èn jassen der Bedeling, die bij zijn moeder de keukenkastjes opentrokken om te controleren of zij, haar werkloze man en de 7 bloedjes-van-kinderen wel recht hadden op een heel brood, deze week. (zoiets als ontwikkelingshulp nu, maar dan van de andere kant af gezien).

Toen mijn ouders dus wilden trouwen, kon dat niet “voor de kerk”. Ze haalden, wat men noemde, een boterbriefje en leefden derhalve in zonden. (alhoewel de engelse term “living in SIN” veel dramatischer en toepasselijker klinkt, kan ik deze vanwege historish besef hier niet gebruiken). Deze situatie zinde de vooruitstrevende kapelaans en pastoors van de wederopbouwparochies waar wij woonden in het geheel niet. Diverse bekeringspogingen werden ondernomen. Maar pa hield, hoffelijk,altijd beleefd en op voorkomende wijze, (het waren tenslotte gestudeerde mannen, die hem de les probeerden te lezen), consequent zijn poot stijf en is nooit een kerk in geweest. Nee, ik lieg: later toen hij heel oud was en invalide heb ik hem wel eens met de fanfare van Tungelroy, waarin hij trombone speelde, in een zijbeuk horen meeblazen, altijd op de achterste rij, uit het zicht, dat wel.

Het zal mijn moeder deugd hebben gedaan, al was haar Liefde tot God tegen die tijd aardig getaand. Geloofszaken namen een keer toen de paus het persoonlijk biechten niet meer per sé nodig vond; de priesters niet meer in het Latijn de mis deden; slecht guitaarspelen ook al bidden bleek te zijn; en om haar heen, vanaf de zogenaamd sexueel bevrijdde jaren ‘60, vele degelijk getrouwde Limburgers het niet erg nauw meer namen met het 5de gebod.

Wat de deur, liever gezegd haar hart, uiteindelijk dicht deed en een eind maakte aan haar “schijnzekerheid” (zoals de onvolprezen broodschrijver-atheïst  A.L.Snijders het godsgeloof terecht  blijft noemen), moet geweest zijn het afschaffen van de zondagsverplichting: je kon ineens “voorwerken” door vrijdag naar de speciale avondmis te gaan. Wat een geslapjanus!

Er bleef op den duur niets meer over van haar rijke, rotsvaste geloof vol zinnestrelend ritueel, liefdevolle opoffering, zelfopgelegde ontzeggingen, vastberaden vasten en bevrijdende boetedoening, om over de gelukzalige werking der Sacramenten maar te zwijgen. Laat tenslotte toch iets geheim blijven, ja?

De Heilige Maria van Altijddurende Bijstand, of “ Moedergods”, Maria’s echtgenoot Sint Jozef en ene Antonius van Padua (die altijd op wonderbaarlijke wijze haar huissleutel weer terugvond), deze personages waarden nog een tijdje in haar schietgebedjes rond. Met de aanzet van Alzheimer en/of Dementia verdwenen ook zij uit haar geestelijk vocabulair; tot niets restte dan een Frans kinderliedje en een smartlap van Tom Manders, over een wiegje.

zkv 08: Esperanto

Ome Rikus trouwde een francaise uit Marseille. Zij kon het rotterdams maar niet onder de bevallige knieën krijgen. Ome Joop had in zijn jonge jaren iets fluisterachtigs met een verpleegstertje in Stavanger, Noorwegen. De eerste vrouw van opa kwam uit Pruisen en ging vroeg dood. Rietje van tante Co kreeg sjans met een Canadees en vertrok voor eeuwig naar Vancouver (spreek uit: Ven-koe-vèr). Bets van Ant en Piet hokte met een indo-jongen, die bij haar wegging toen bleek dat ze geen kinderen kon krijgen. Zij sprak vloeiend Maleis en kon er in vloeken als de tering. Zelf gingen wij emigreren, twee keer; eerst naar Australië en van daar naar Zuid Afrika; onder het motto van mijn vader: “Waar mijn werk is, is mijn land”.

Dankzij de algehele omwenteling die 2de Wereldoorlog heet erkende mijn familie geen taalgrenzen meer. En omdat het allemaal arbeiders waren, op ome Bram na, die had een middenstandsdiploma, was Solidariteit vanzelfsprekend genoeg om er nooit over te hoeven praten en was Nationalisme verder te zoeken dan de Indische eilanden-van-smaragd, diverse Politionele Acties ten spijt.

Mijn ome Bertus, (die aan vader’s kant, want ik had er twee met die naam), zwaar asthma-patiënt, werkte als straatveger (!) bij de Gemeentelijke Reinigingsdienst. Door zijn ziekte vaak aan huis gebonden was hij, noodzakelijkerwijze een selfmade-man geworden, met o.a. een talenknobbel. Tijdens de oorlog gaf hij engelse les aan jongens die naar Engeland wilden varen en, omdat hij hevig socialist was en fervent aanhanger van de Internationale, haalde hij een diploma voor Esperanto-leraar. Aan de voordeur, Struweel 54 op Zuid, weet ik nog, hing een bescheiden, De Stijl-ontworpen emaille bordje als bewijs. Wij waren familie, gingen nooit via de voordeur, altijd door het achtertuintje, gitzwarte onkruidloze grond vol grote struiken mysterieuze, blauwe hortensia’s.

Over deze oom vertelde men in de familie graag (bij voorkeur natuurlijk wanneer er “geleerd” volk aanwezig was) de volgende anecdote:

Bertus veegde de straten van zijn wijk in vaste volgorde en met ijzeren regelmaat. Hij kwam dus, laten we zeggen, elke donderdagochtend, zo rond half elf, voorbij de HBS op de Mathenesseweg, waar dan altijd een groepje leraren al keuvelend, op de speelplaats surveyeerden.

Op een dag hangt Bertus zijn twijgenbezem aan de handkar, stapt, pet in hand naar de leraren en zegt: “Meneren mag ik u even storen, met permissie?” Hij haalt uit zijn binnenzak een verfomfaaid (mooooi woord dat!!!) verfomfaaid papiertje tevoorschijn en leest bedachtzaam: Hoeveel kinderen in een groep van 15 zullen dit jaar op dezelfde dag van de week jarig zijn?

Terwijl hij het papiertje aan de voorste leraar overhandigd zegt hij nog: “Ik dacht 2. Kan u mij misschien vertellen of ik het bij ‘t rechte eind heb?” De leraar leest aandachtig, loopt ermee naar de rest van het groepje. Er ontstaat aarzelend discussie. Ze denken na, komen er niet uit zo1,2,3. Daar gaat de bel voor het einde van de pauze. “We komen bij je terug, strateman. Hier moeten we even op studeren!”, zegt de leraar.

De volgende week staan ze op hem te wachten. Ze zeggen hem dat hij wis-en-waarachtig het juiste antwoord had, maar nu willen ze wel eventjes horen hoe hij ‘m dat geflikt heeft! Of was het zomaar een gok?  En dan levert Bertus Markestein, autodidact uit Zuid, met zachte stem minutenlang wiskundig bewijs. Er is geen speld tussen te krijgen, nog kon je er een horen vallen, op het schone trottoir.

zkv 07: Paard

Wij waren onafzienbaar lang vrienden, wel tweeënhalf jaar: Otto, Robby (dat was ik), Koen en Paard. Laatsgenoemde heette anders, maar zijn voornaam vergaten we toen al meteen, dus hoe zou ik me dat nu moeten herinneren? Wij waren grote jongens, want we zaten op de Rooms Katholieke MULO Maria van Altijddurende Bijstand te. En wij waren, wat nu zou heten: nerds (Engels voor: nietbehorend tot de echte Grote Jongens, die voetbalden, stiekum rookten en de Baldadige Meiden achterna durfden te zitten).

A.L.Snijders schrijft in zkv 14.06.08:

“Wat ze altijd gezegd hebben  en waarom ik ze altijd heb uitgelachen, is waar: als je oud wordt komt de herinnering. Vaak zonder aankondiging, als verrassing bij de koffie.”

Vriend Otto was de grootste, daarbij ook de belangrijkste, want zijn vader was procuratiehouder op de ultramoderne, spiksplinternieuwe fabriek van Van Nelle (na-oorlogse levensmiddelengigant en monopoliehouder in koffie, thee en onder anderen). Stond aan de rand van onze altijddurende wederopbouwwijk, Overschie, Rotterdam.

Ik kwam tweeds. Mijn vader was uitvoerder bij het toen al uit de kluiten groeiende huisschildersbedrijf Groeneboom. Soms had hij meer dan 60 man onder zich. En daar kreeg hij weleens nachtmerries van, waarin hij de hele Gelkenesstraat wakker gilde. “Tot aan de Abtsweg konden ze ‘m horen”, zei mijn moeder dan de volgende dag met enige trots tegen haar onderbuurvrouw.

Van Koen kan ik mij niets anders herinneren dan dat hij alleen met zijn moeder woonde in de torenflats (12 verdiepingen – hij op de 9de – de onze had er maar 4 en geen lift!). Van echtscheiding hadden wij nog geen kaas gegeten. Dichtstbij kwam dat verschijnsel toen mijn veel oudere nichtje Ada 7 weken na haar trouwen verliefd werd op de melkboer en een tijdje bij ons kwam schuilen voor haar man. Die moeder, van Koen, was zangeres-klassiek bij de radio; in opera’s, wát dat ook waren. Ze deed weleens een stukje voor. Kreeg je de koude rillingen van over je rug, zo hard ging dat!

Paard. Ik weet zijn échte naam écht niet meer! Paard kwam achteraan, niet vanwege de pikorde, maar omdat het bij gymnastiek zo raar ging. Hij was altijd laatst bij apparaten. Bokspringen bijvoorbeeld, gaf Riemslagbaas (what’ s in a name? Goeie man sloeg nóóit!) iedereen drie kansen om er overheen te komen; Paard kreeg er 4, of 5, zoveel hij wilde, maar niet dat het hielp! Hij wachtte tot iedereen geweest was, draafde vol goede moed, als een manke knol op signaal, richting het lederen gevaarte en botste er dan stikkend van de lach keihard tegenaan.

Voor zo ver ik weet, is het hem nimmer gelukt ook maar één keer werkelijk te volteren, of het moet geweest zijn dat ik er niet bij was vanwege ziek, of zoiets. En steeds gebeurde dit tot grote hilariteit en amuzement van hemzelf, en van de rest van de meute 2C, waaronder wij, zijn beste vrienden. Toch nam hij niemand iets kwalijk, want hij had een goed zelfbeeld, een fabuleus gevoel voor humor, (en altijd een 9 voor wiskunde). Nooit geweten wat zijn vader deed voor de kost.

zkv 04: Rook=vuur

Rond 10:30 elke morgen neemt mijn vermoedelijke overbuurvrouw uitvoerig een douche. Ze heeft natuurlijk haar vent opweg gekust, de kids naar school gedaan, het huis aan kant en de krant gelezen: tijd voor een Wellness-moment helemaal voor jezelf?

Wat die man hier doet weet ik niet; wil ik ook niet weten, want dit is grotendeels een fantasieverhaal, gebaseerd op rook. Beter gezegd; op witte waterdamp. Die zie ik uit haar dak komen, plotseling, elke ochtend en denk daar dan op een keer het mijne van…

Ach je moet wát, zo tussen droom en daad.

zkv 05: Bloedlaster

Zou Sarah Pailin gepleegd hebben, stond in de krant. Ik kon het woord nergens vinden; ook niet de mogelijke Amerikaans-Engelse oorsprong ervan en dat terwijl ik toch de allerbeste Van Dale’s op dit gebied bezit.

Bloedlaster is iets vreselijks, verachtelijks en verwerpelijks, waar alleen rabiaat fascistoïde, sociale vampieren van rechts allooi gebruik van maken, denken ze dáár in “the land of bigotry” .

Wat weer reden is om te pas en te onpas  de linkse, niggerloving, koraanpleitende, rozekunstbrildragende, democratenkliek van exact dat zelfde te betichten. Zo van: wie kaatst…?, maar dan met bloedproppen.

De echte bloedlasteraar staat binnenkort op om van beide zijden gestenigd te worden, je zal het meemaken!

zkv 06: Very neat

De Shri-Lankaanse meisjes van twee deuren verder, die in het plaatselijke ziekenhuis een verpleegstersopleiding volgen en daar absoluut niet uitgebuit worden, vonden mijn grijze, 764 kg Steen van Wijsheid, onlangs met zorg en aandacht op een prachtig roodbruin bed van Franse pijnboomschors in de voortuin geplaatst, “Very neat!”.

Zij draaien eigenaardige, wisselende diensten, worden bij nacht en ontij door officiële busjes gehaald en gebracht, (excursies en dergelijke?). Dus je ziet ze haast nooit buiten, op straat. Behalve gisteren, toen was het raak. Daar schuifelden ze voorbij  over het beïjzelde trottoir, dik ingepakt in sjaals, rare mutsen, truien, kleurrijke kringloopjassen en, jawel hoor, gloednieuwe Uggs!

Ik was vol trots met iets onduidelijks bezig en zag ze komen. Ik spreidde mijn armen wijd en riep in mijn allerbeste Indiaasche Engels: “Aye, Ladies, you laaaik?”.

En ze lachten, aldoor slippend, en zeiden in koor: “Very neeeeeat”.

Nu is nog wel onduidelijk of het ze om de steen, de wijsheid, of Nederland te doen was…

zkv 03: Amatori!

Als mijn moeder vroeger met háár moeder serieus wilde winkelen op de Coolsingel (Rotterdam)
werd ik soms, wanneer het echt niet anders kon, “geparkeerd” bij mijn vader’s vader, opa Kars. Die woonde alleen, tweehoog in een donker achterhuis aan het Bospolderplein, (thans Marocco, zegt neef Willem).
Vagelijk herinner ik mij opoe Kars (zij was, bij mijn weten, nooit ‘n oma) in diezelfde achterkamer, op wat haar sterfbed werd, de witte lakens bij wijze van spreken al voor de ramen gespannen, als signaal aan de buurt.  Zij was lang onze enige dode, reden voor mijn moeder om met Allerzielen helemaal van Overschie naar Schiedam te tram-en-bussen om een bloemetje (syringen, als ze er waren en niet te duur)  op haar graf te plaatsen en een stukje rozenkrans te bidden. Dat was goed, want daarna gingen we een legitiem gebakje eten, warme chocolademelk voor mij  en zij koffie, voordat we aan de terugtocht begonnen.
Eerst was ik bang van opa Kars. Hij sprak haast nooit, zat altijd, nors en boos kijkend te schrijven aan Opoe’s tafel met-de-namaakpers, een kroontjespen, of een echte Bic, verwrongen in zijn hand . Hij miste een vinger aan die hand, welke vinger, wijs of middel, weet ik niet meer, moet ik eens aan Willem vragen.
Later, toen ik eenmaal kon lezen, werd hij interessant. Hij was jarenlang een hartstochtelijk , suksesvol harmonie en fanfare dirigent geweest. Amateur Hoogste Klasse! Prijzen gewonnen zelfs. Die passie kon je niet aan hem zien, stug en volledig humorloos als hij was.
Maar stille wateren hebben diepe gronden, vooral op Delfshaven; hij was in het diepste geheim net-niet-kaartdragend communist en had zich in zijn weduwnaarsjaren op eigen houtje ontpopt tot verhalenschrijver…
Toen hij ontdekte dat ik alles las wat los en vast zat, en daarbij muisstil kon zijn, liet hij mij vaak alleen in huis achter met een boek of een tijdschrift.
“Mot effe naar de hoek”, bromde hij dan en kwam een half uur, soms een uur later, neuriënd (ja, onvoorstelbaar voor zo’n man), vrolijk(!) de trap weer op.
In dat halfuurtje doorzocht ik als een literaire spion de velletjes beschreven papier die in stapels her en der door de kamer slingerden. Razend spannend was dat lezen, en opwindend, want hij nam, als het over de liefde of over mooie vrouwen ging, bepaald geen blad voor de mond!   Het werd nergens echt “schuin” zoals vieze praat toendertijd netjes heette. Gevoel voor decorum en stijl had hij wel. A. den Doolaard, Bertus Aafjes, misschien zelfs Zola, waren vermoedelijk zijn voorbeelden, alhoewel hij nauwelijks boeken had in huis, zelfs geen bibliotheekboeken.
Wanneer mijn oren rood genoeg waren, of de angst gesnapt te worden ondragelijk werd, legde ik  alles zorgvuldig terug op z’n plek en ging verder in Arendsoog, of Tom Sawyer, heilig overtuigd dat hij niets in de gaten zou hebben.
Nu denk ik dat hij mijn ontdekkingen voor lief nam. Alle schrijven, ook het meest geheime, behoeft een lezer, weten we inmiddels.
Opa Kars stierf in geconcentreerde eenzaamheid op een drukke Zaterdagmiddag in December, al schrijvend.
Werkster Nel en haar man Henk, aan wie hij de voorkamer had onderverhuurd, vonden hem zo toen ze zondagochtend op de thee kwamen. Daar wij, de familie, bijkans beroeps emigranten, ons voor het grootste deel in den vreemde bevonden, moesten Henk en Nel zijn boeltje opruimen om daarna de hele verdieping te betrekken. Dat had hij hen beloofd. En daar was haast bij, begrijp je?
Nicht Paula, die alles van iedereen weet, zolang ze maar van Rotterdam zijn, vertelde ons, dat Nel een tijdje in opa’s papieren heeft zitten lezen en zo geshockeerd raakte van zijn schunnig geschrijf over “vrouwenborstjes als frisse, kleine appeltjes” en zo, dat ze het hele pak “Autobiografische Roman” maar meteen in de potkachel kieperde, want dat wilde zij de “familje” niet aandoen.
Opa was geen lieverdje. Volgens mijn vader kwam hij vast niet in de hemel als die bestond.
Hoe hij dan, in der eeuwigheid, dat appeltje met Nel zal schillen, ik weet het niet.
RK
Over je heen vallen is niet zinvol. De tekst, je verhaal, is interessant. Ruimte voor trots. (RVT) Overigens kan ik hier en daar nog iets aanvullen. Dat van die deels missende vinger was me niet bijgebleven als eng maar is in herinnering dat plots weer wel ja.
Ik geloof niet ooit een woord met Opa Kars gewisseld te hebben.  Hij schreef de voetbaluitslagen in schriftjes, op blocnotes en achterop sigarendoosjes. Werk dat nooit gepubliceerd werd…
Opoe heb ik op mn vierde één keer gezien in een duistere kamer, een wreed ouderwets uitziende vrouw in ruime overbemeten zwarte kledij die op een ‘speciale’ stoel zat; dat bleek bij navraag de po te zijn.
Van haar overlijden nooit iets meegekregen. Meen mij te herinneren dat Opa werd begraven –zonder mij- op een dag uit de zesdaagse oorlog, Israel enzo, en ik eerste jaar Kweekschool deed. Het was mooi weer die dag. Mijn zelfverdiende Puch schitterde uitmuntend zilver-zwart-rood doorheen deze spoedig door arbeiders verlaten Bospolderbuurten.
Vele jaren later heb ik de WAR (werkgroep arbeiders literatuur Rotterdam) zover gekregen dat ze een verhaal van Opa Kars publiceerden. Er zijn nog exemplaren in de familie. Het is een klagerig verhaal over de stenen muur die hij vanuit zijn bed bestudeerde. Zo iets.  Zoals alles is zelfs die muur er niet meer.
WK

zkv 02: Onze Boot

Op de Hogestadt “Scheepswerf” (tussen aanhalingstekens, want zoveel stelde het nou ook weer niet voor) aan de Schie, te Overschie, bovenrooks Rotterdam, overwinterde elk jaar van mijn 9de tot mijn 15de de Liberty,  mijn ouder’s eigenhandig met veel hulp van derden opgebouwde “plezierjacht ” (jaja).
Eind Oktober/begin November, wanneer het leek te kunnen gaan vriezen, werden de kleinere boten in 2 grote lussen breedband aan een hefboom met stoommachine (waarschijnlijk was het al een dieselmotor, maar goed) uit het water getild en op 2 vier-wielige onderstellen over ijzeren platen naar hun bestemming op de werf gereden.
Wij stonden altijd het verst weg, aan de rand. Dat zal wel het goedkoopst geweest zijn. Hoe sjieker je boot, hoe dichter bij het water, zoiets? Het groot kapitaal verloochent zich nooit.
Wanneer met behulp van een indrukwekkend, zwaar slingerapparaat De Domme Kracht genaamd, onze boot op houten blokken was gezet en zoals dat heette secuur opgespiëd, gingen er grote dekzeilen overheen. Die werden stevig vastgesjord. De plaatsing van de zeilen luisterde nauw, want je moest er nog wel  bij kunnen. s’Winters werd namelijk hard gebikt, geverfd, gesleuteld, gebitakt en afgetimmerd; dit ter algehele verbetering van het vaartuig en uiteraard alleen in de weekendEN.  (niet ‘weekends’; wij spraken nog weinig engels toen: ’leggo!’, waarbij je in beide handen spoog voordat je ze stevig tegen elkaar aan wreef; ‘penantie’, dat met grote overtuiging en zelfverzekerdheid, ferm en duidelijk moest worden uitgesproken; en ‘HENS!!!!’ wat vurig, hard en vol verontwaardiging geroepen werd. Dat was het wel ongeveer. ‘Cake’  en ‘baby’ telden om een of andere reden niet mee. Ja, mijn moeder en oma hadden nog ‘zulligzeep’, en ‘Pallum Oh Lieve’ maar daar wisten jongens niks vanaf. Overigens bestond dat ‘weekend’ voornamelijk uit de zaterdagavond en de zondag. Zaterdagochtend gingen de vaders gewoon naar hun werk en de kinderen naar school.)
Op één plaats kon je dus het zeil losmaken en met het houten laddertje-van-hogestadt aan boord klimmen. Hoe goed mijn moeder ook, voordat het stallen van de boten begon, had schoongemaakt, het stonk daarbinnen in het donker altijd een beetje muf, naar teer en kattepis en het was geheimzinnig stil.
Het laddertje, voor algemeen gebruik, stond altijd onder het afdak naast het woonhuis van de werfbaas, Hogestadt zelf. Daar was ook de kraan, waar ik s’zomers, voordat we gingen varen, het water voor onze tank haalde. Elf emmers; 12 keer van kraan naar steiger en terug. Dat ging uren duren, soms.
Vlakbij de kraan lag namelijk, weer of geen weer, de gigantische, naamloze, totaal onbetrouwbare, gitzwarte, roodogige, kwijldruppende Hellehond! Een enorme wolfachtige Bouvier aan een dunne, glimmend gesleten ketting. (groot was mijn teleurstelling jaren later te leren, dat die prachtige, lieve, onvergetelijke schoonheid Jacky Kennedy, Bouvier had als meisjesnaam).
Die hond-aller-honden, de Satan hebbe zijn rottende ziel in godvergeten, oneindigdurende eeuwigheid, was een tot op het bot bedorven, kwaadwillende en sadistisch voorgeprogrammeerde kwelduivel.
Daar kon het arme beest natuurlijk niets aan doen. Honden lijken nu eenmaal op hun bazen.
Nogtans, aan deze hond, aan zijn in angst en beven verwachte en in vergeetachtige argeloosheid onverwachte ziedende, uitzinnige woedeaanvallen heb ik mijn levenslang wantrouwen jegens alle dieren groter dan een cavia te danken. (en dan nog!). Hij heeft me nooit gebeten, zo slim wastie wel!
Vanwege die hond hield (en houd) ik van de winter, op de wal, knus en veilig, onder zeil. Als pa en ik aan de boot bezig waren kwam ma meestal s’middags naar de werf, een thermoskan koffie en ontbijtkoek plus echte boter, naast mijn warm ingepakte zusje in de kinderwagen, die nog van tante Riet was geweest, maar door mijn vader helemaal opgeknapt, zo goed als nieuw..