zkv 284 15/3/15: YUHANG6

LEMMALANT zkv 264 29/6/14

Gedurende het veel te korte bezoek aan Weert van de zes kunstenaars uit Hangzhou (China) aten wij (12 kunstenaars in totaal) elke avond gezamenlijk in Chinees restaurant Azië. Op de tweede avond raakte ik in gesprek via de tolk met de 78­jarige naaldkunstenares Xu Enzhen. Bepaald moment vertelde zij dat er in China een heel goede Hollandse kunstenaar was die zij kende, ene Lemmalant. Ik peinigde mijn geheugen, helaas, nooit van die man gehoord. De tolk had al enige moeite met de vertaling, want zij was ver weg afkomstig van Beijing, mevrouw Xu kwam uit Hangzhou; dat is een beetje alsof je een gesprek tussen een Groninger en een Luxemburger laat vertalen door een Vlaming. Mevrouw Xu zei nog eens de naam: “Lemmalant”. Ik vroeg om mij heen aan de collega’s of ze ooit gehoord hadden van deze nu in China gevestigde Nederlandse kunstenaar, niet dus. De Chinezen kwamen mevrouw Xu te hulp en herhaalden de naam een paar keer. “Len Malant?” “Enna Land?” “Hemmalang?” Het bood allemaal geen soelaas. Tot meneer Zhang, ook tolk maar al twintig jaar in Nederland, en een beetje doof aan het worden, ons geworstel bemerkte en luidkeels riep “Aaaah, zij buhdoelen Lembelant, van Lijn. Nakt Wakt! Lijks Moezeeoem”. Dit had genoeg anecdote kunnen zijn voor één zkv, ware het niet dat even later een identieke spraakverwarring ontstond (gelijkheid zal zijn in de kunst!), toen ik probeerde uit te leggen aan mevrouw Xu dat ik al een tijd gefascineerd ben door de taoïstische geschriften van Zhuang Zi, een Chinese schrijver/filosoof uit de 4de eeuw voor onze jaartelling. Mijn uitspraak was, voor zover je dat zelf kan beoordelen, zoals het hoort: ‘Dzwângdze’, recht uit het boek aanbevolen door de vertaler Kristofer Schipper. Evenwel, mevrouw Xu keek niet begrijpend naar onze tolk. Deze kende niet de Tao, nóch de Meesters van de Weg. Ze vroeg aan mij: “Wie is die man? Hóe zei je dat hij heette?” Ik probeerde tevergeefs nog een paar versies: “Tsjang tse”, “Dwang dzjie” “Zwang Tsuh”? Plotseling schreeuwde de goedlachse kettingroker en jadesnijder Jiang Jiaong over de tafel “Dzwângdze!!!!”. En ik zweer dat hij precies hetzelfde zei als ik. Ohh, beaamden de Chinezen in koor. Jaaaah, Dzwângdze, dié kenden ze natuurlijk. . . Ergo: Nederlands is niet makkelijker dan Chinees, en Chinees is niet moeilijker dan Nederlands.

ROTSEN zkv 15/1/15

Om redenen die er hier nu even niet toe doen, spaar ik al jaren afbeeldingen van ER’s (Eenzame Rotsen). Pas bezig, kwam ik, per het toeval dat niet bestaat, een gedichtje tegen van Simon Vinkenoog waarin mooi sprake is van een Schip van Hoop, en een Steen der Waarheid (of was het andersom? maakt niet uit). Dat moedigde mij aan – ik zat goed.

Maar de Eenzame Rots laat zich niet zo makkelijk vangen: velen komen niet door de strenge keuring waaraan ik ze moet onderwerpen. Zo mag er geen enkele verbinding zijn, onder- noch bovengronds, met ander gesteente, en eromheen dient het rustig en leeg te zijn, kalm als de zee, of de steppe. En net zoals men in de Duitse filosofie van de Intelligentie verwacht, moet ‘mijn’ rots volledige “Freischwebendigkeit” bezitten.

(Bij een bezoek aan Uluru, voorheen bekend onder de koloniale naam Ayers Rock, Australië, was het mij een waar genoegen te mogen lezen in de toelichting verstrekt aan ons bus-gezelschap, dat het wereldberoemde object één enorme kei is, waarvan minstens 80% zich onder de alluviale grond, in, geologisch gezien, zwevende toestand bevindt).

Volgens Freudianen staan alle verzamelingen simpelweg voor doodsangst. Dus, zo nu en dan, griezel ik lekker weg bij mijn rijtje beroemde eenzame stenen die ik nog moet gaan zien.

Nummer een, met dikke stip, is de Huilende Steen van Shrinagar in India. Het schijnt dat die verdriet geneest, (welliswaar alleen van weduwes, maar toch…).

Niet veel lager op de lijst komen de zingende stenen van Klaroenfontein, Zuid Afrika. Die zouden ergens op een verafgelegen boerderij, in een van die eeuwig-droge rivierbeddingen daar, liggen te wachten tot drummer WvK en ik ze komen bespelen. (Gaat even duren: W heeft ‘t in de rug)

En dan is er nog “Taihu Rock” in de National Gallery van New South Wales, Australië. Telt eigenlijk niet mee, want deze heb ik nota bene gefotografeerd, zonder te beseffen dat het hier om een prachtjuweel van een ER gaat, honderden jaren geleden (Tang Dynastie!) opgevist uit de Yangtse rivierdelta, bij het Tai-meer in China. Ik keek ernaar, maar wist toen niet wat ik zag.

Het is een forse kalkstenen zwerfsteen, 140x133x60cm, door water, zand en tijd vervormd en uitgesleten tot een enorme witte gatenkaas; een oneindig veranderlijk spel van holtes, bulten, plooien, scheuren, kronkelgangetjes, doffe texturen en glanzend gepolijste oppervlakken.

Rotsen als deze halen trucjes uit met je brein: het zijn, “drie-dimensionele Rorschachs”, die je fantasie en je waarnemingsvermogen op hol doen slaan. Hun eigenaardigheid, excentriciteit, en hun suggestieve uiterlijk brengen bij de toeschouwer een vreemd soort desoriëntatie tot stand. Contouren, schaduwkanten lijken plotseling epische bergketens, of woeste, mythische dieren; details leiden je grillige,imaginaire landschappen binnen. Middels meditatie en verbeelding helpen zulke stenen de geest openen en verruimen, zegt men…

Soms moest zo’n steen geholpen worden. In vroeger tijden, toen men nog alle tijd had, kapten de vinders/beeldhouwers, op bevel, bepaalde onwelgevoegelijke delen van de steen weg en legden hem dan weer terug in de rivier om verder te ‘groeien’; voor het esthetisch genoegen van een volgende, of nog-volgende keizer.

Ik word Rotsbezoeker! Wie sponsort mij!

(Dat laatste was een retorische vraag).

zkv 246: KLEIN WERK

zkv 246 13/12/13

KLEIN WERK

Nu bijna twintig jaar geleden beleefde ik voor het eerst van mijn leven de Volle Rouw.

Een jaar lang schilderde ik officieel niet. Ik schreef veel. Lange brieven aan de dode, naar verre vrienden of familieleden, kaartjes naar wie maar jarig was, of pasgeboren.

Bepaald moment, op reis in Griekenland, maakte ik noodgedwongen zelf een kaart uit de kleurrijke deksel van een pakje dadels. Met een geleende blauwe viltstift en wat authentieke Griekse witkalk, een ei erdoor voor de hechting, fatsoeneerde ik een echte Karskaart.

Daarmee is het begonnen: ultra-klein, ansichtkaartformaat schilderwerk. Toen ik eenmaal thuis was kon ik niet ophouden. Eerst sobertjes aan de keukentafel, uiteindelijk weer enthousiast in het atelier. En van het een kwam het ander, ik was weer op gang.

Kaartjes maken kan spontaan zonder voorgedachten net als zkv-schrijven overal en altijd. Ondanks de verwarring zelfs ergernis die ze bij sommige mensen oproepen (“Wat ben je toch een véélschilder!”, “Waar moet dat allemaal heen?”, “D’r zit geen enkele lijn in”) zal ik ze blijven maken, want op deze manier, zo laat ik mij verzekeren door de vakbroeders van weleer, word je namelijk héél oud…

“Schilderen behoort altijd geïmproviseerd te zijn. Het resultaat zal alleen schoon zijn op voorwaarde dat de schilder zichzelf enigermate laat gaan en al schilderend de dingen ontdekt.”

                                                                                                                   (Eugène Delacroix)

zkv 244 23/11/13: KWARTS

Het is vooralsnog onduidelijk hoe precies onze menswording geschiedde.

Zeker is onderhand wel dat het uitvinden en maken van gereedschap van groot belang was en is.

Duizenden, nee, tien-duizenden jaren voldeed een vlijmscherp “genapte” (uit het Engels) vuurstenen werktuig aan alle vereisten van de overleving. Doorheen de ganse prehistorie was er nauwelijks enige behoefte om aan het originele ontwerp van stenen pijlpunt, priem, schraper of aks te sleutelen. (Don’t mess with the car while it’s still going?)

Was dat simpel een kwestie van: zolang functies niet veranderen blijven vormen hetzelfde?

Zou je denken, ja…

Bij recent onderzoek naar de oudste bewoning van de mens op aarde (Blombos Cave, Zuid Afrika, waarschijnlijk toch tot 50.000 jaar oud) kwamen behalve scheepsladingen parelmoerschelpen, want het waren strandjutters, ook in de verschillende tijdlagen sporadisch kleine stukjes transparante of witte kwarts tevoorschijn, afslagen van werktuigproductie..

Nu weet iedere archeoloog dat kwarts zich uitzonderlijk moeilijk laat bewerken. Het is  weerbarstig materiaal, wat op onvoorspelbare wijze breekt wanneer je er vorm aan wil geven. Je moet van goed huize komen als werktuigbouwkundige-avant-le-lettre om er ook maar iets fatsoenlijks van te fabrieken. Dus: waarom kozen ze, soms, voor moeilijk, terwijl makkelijk zo voor de hand lag? Vuursteen genoeg in de buurt.

Een theorie, (Sven Ouzman, 1998, Pretoria University ZA) houdt het erop dat in deze alles draait om licht:

Het letterlijke licht van mensenvuur in het oerduister van de wildernis.

Het godenlicht van de voorouders die als sterren schitteren aan de hemel.

Het licht als spoor waarlangs de sjamaan in trance zijn weg vindt in en uit de andere wereld waar dieren en mensen hetzelfde zijn en elkaar raad geven. .

Ze maakten hun werktuigen uit kwarts omdat het vonkte, licht gaf, en daarmee vertrouwen in de toekomst schiep.

zkv 80: MOEDERTJE

MOEDERTJE

Mijn moedertje-zaliger is alles bij elkaar 27 keer gevallen voordat ze, niet aan het vallen maar aan het oud worden, uiteindelijk overleed. Gaten in haar hoofd, blauwe plekken, gekneusde ribben, kapotte knieën, scheur in het bekken, gebroken heup. Het bleek een vermomde zegen toen ze aan het eind van haar leven, niet meer goed wist waar ze was of waarom en haar korte termijn geheugen vrijwel geheel verdween. Wat je vergeet heb je niet meegemaakt.
Ze kon niet meer zelfstandig wonen en moest naar een tehuis. Dat ging niet van een leien dakje.
Nederland is op z’n smalst in Zorgland.
Een ex-nonnenklooster in Brabant nam haar het eerst op. Klein gerieflijk kamertje, uitzicht op een boompartij, parkeerplaats, weide met schapen erin, voortvarende, kordate verpleegsters, aardige, stille verzorgsters, eens per week dokters controle, natje, droogje, ergotherapie, knutsel-lessen, alles puik in orde. Met het Kerstdiner mocht de familie meedoen.
Ze viel daar 8 keer. Uit haar rolstoel. En wat voor formulieren wij en zij ook invulden: geen toestemming om haar met een riempje of een aanklikbaar eetblad in die stoel vast te zetten, want dat was tegen de wet.
Toen we een maand later een echt verzorgingstehuis vonden, dichterbij, waren we de koning te rijk. Nu konden we haar meer en makkelijker bezoeken, beter op haar letten. De tweede dag dat ze er verbleef viel ze, ondanks uitvoerige instructies en waarschuwingen, bij het aankleden s’morgens met haar hoofd tegen het roestvrijstalen nachtkastje: 5 hechtingen.
Gelukkig vergat ze de dingen nu steeds sneller: “Wat doen die rare draadjes op mijn voorhoofd”, vroeg ze een paar dagen later. “Ik krijg ze maar niet weg”.
Op een dag zit ik in de trein. Telefoon. Ma: “JA!… ben jij dat Rob? Oh, gelukkig, ja d’r lag hier een telefoonnummer op een papiertje naast die telefoon. En ik dacht dat za’k maar ‘s bellen, zeg luisteris, ik ben hier op een kamertje, van een hotel of zoiets geloof ik, en het is wel mooi uitzicht hier, maar waarom moet ik hier zijn eigenlijk? Weet JIJ dat? Trouwens, kommemaar gauw halen, dat ik naar huis kan, dat lijkt me veel beter…”
De hele coupé gaat nu meeluisteren, realiseer ik me terwijl ik haar voorzichtig antwoord: “ Ach, moedertje, je bent in Huize Johanna. Je logeert daar want je valt alsmaar, zonder dat je het weet, s’ nachts en zo. Dan gaat er van alles mis met je, moet je weer naar het ziekenhuis, allemaal heel vervelend. Daarom ben je daar, zodat er goed voor je gezorgd kan worden…
“Oh…”, zegt ze.
Het is een zwaar beladen “oh” waar vanalles in zit wat ik niet wil horen.
“Ma, druk maar even op dat witte belletje naast je stoel, dan komt er een verpleegster en die zal het je allemaal uitleggen. Wel even geduld want misschien moeten ze van ver komen. En NIET zelf uit die stoel gaan, hoor, anders val je misschien weer en dan zijn we nog verder van huis…
Heb je gedrukt? OK, goed zo. Zeg, heb je al gegeten? Nee? Nou dan komen ze je zo halen, hoor. Moenie worrie nie mamma, alles komt goed, hoor. En Babs komt vanavond naar je toe. Ik ben er morgenavond weer.Tot dan hè… hou je taai, moedertje, daag.”
Bij het verlaten van de trein zag ik even verderop een echtpaar zitten dat ik vagelijk kende.
Ze groetten mij, ik hen. “We hoorden je praten, Rob,” zei zij, “Onze moeder had vorige week precies hetzelfde. Wij weten hoe het is, wat je doormaakt. Sterkte d’r mee.” Ik mompelde een dankjewel-ja-jullie-ook en stapte jankend uit.

Rob Kars

zkv 52: TRANSSUBSTANTIATIO

zkv 52 19/12/11

TRANSSUBSTANTIATIO
Neef W had de euvele moed mijn spelling van de titel dezer zkv te betwijfelen, maar ik ben vroeger ietsjes langer dan een blauwe maandag misdienaar geweest, dus hij kan ’t schudden
(vooral zo vlak na het Nationaal Dictee en vóór de kerst)!
De consecratie, de wijding, het belangrijkste deel van de Rooms Katholieke Mis beweert de werkelijke verandering te zijn van wijn (droge rooie) en brood (ongedesemd) in het Bloed en het Lichaam van Onze Heer Jezus Christus, Enige Zoon van de Schepper. Sommigen vinden Hem ook nog een Lieve heer, daar heb ik persoonlijk nooit reden toe gezien. Hij was nou niet bepaald aardig voor zijn moeder.
Wat de mis betreft: de transsubstantiatie is dus het moment waarop in het correct uitgevoerde ritueel van de offerdienst, aardse materie van spijs en drank, zal veranderen in geestelijk voedsel voor de ziel. Wie dit gelooft is natuurlijk een beetje gek, of op z’n minst geïndoctrineerd; wie het niet gelooft kan geen Katholiek zijn… Het is immer : alles of niets in de godsdiensten; net zoals je ook niet een beetje zwanger kunt zijn; je gelooft of je gelooft niet.
Het goedgelovig kind in mij vroeg zich weleens af of dat veranderen nou nooit eens mis ging.
Bij ons thuis aten we iedere dag gekookte aardappelen, maar ze brandden ook soms verschrikkelijk aan! Ik moet vroeg wijs geweest zijn,( wat ik sterk betwijfel, hoor!) Of anders stevig ingebed in rotsvast geloof om mij heen, want nooit stelde ik een vraag hieromtrent aan de kapelaan die eens per week de cathechismusles verzorgde.
De vis vraagt zich niet af wat water eigenlijk is.

ps: dit schreef ik, in embryo, op de achterkant van het programmablaadje voor een concert van het Plantagekoor, Engelse Kerk, Amsterdam. Tijdens de pauze. Ze zongen de mij niet-bekende “Weihnachts – Responsorien” van Johann Michael Haydn. Soms was het werkelijk wondermooi.
Naast het preekgestoelte stond een sobertjes opgetuigde kerstboom klaar, met eronder een antieke voederbak, de kribbe. Mijn geliefde, die naast mij zat, wilde weten of het Kindeke Jesu daar al lag. “Nee,” zei ik, nadat ik gekeken had. “Nog niet geboren”.

zkv 51: Het Treintje v Kounellis

In ijdel gebleken navolging van Nederland’s grootste zkv-schrijver A.L.Snijders (een lang en vruchtbaar leven zij hem beschoren) wilde ik vandaag een zkv schrijven over “miniatuur”.

Ik had in de krant gelezen (VK 27/9/2011, Mirjam Bosgraaf), dat er poppenhuizen bestaan voor in poppenhuizen! Het ultieme, drie-dimensionale Droste-effect, dacht ik meteen

Maar, oi weh, oi weh, het zkv liet zich helemáál niet schrijven!

Het wilde juist uitdijen, vertakken, gaan grasduinen op de vierkante centimeter, en algeheel de kluts kwijt raken op kronkelende dwaalwegen door mijn Grand Palais van Vergeten Weetjes. (Jaja, hoogmoed, val, false pride, je weet ‘t!)

Vóór IK ‘t wist was de ochtend om zeep, opgetreuzeld met het zoeken naar dat treintje van Kounellis, een glasheldere kunstherinnering, die hardnekkiger aanwezig bleef naarmate ik meer feitelijkheden boven tafel (of is het “water”?) haalde. Ergo, blijf ik de trotse eigenaar van een welliswaar chaotische, doch zeer eclectische bibliotheek. (zoekt u dat maar eens op, ja)

De Grieks-Italiaanse beeldend kunstenaar Jannis Kounellis (1936) was tijdens het bewind van museumdirecteur/kunstgoeroe Rudi Fuchs, in de jaren ‘70-’80 een graag geziene exposant in het van Abbemuseum, Eindhoven.

Hij was/is een conceptueel/intellectueel beeldhouwer in “povere”, armetierige materialen. (Dus: jute zakken, steenkool, gipskoppen, olielampen, baksteen, ijzeren balken, gasbranders, afvalhout; van alles dat in de kunst ongebruikelijk is en daarom zonder traditie of status). Geen moeite gespaard om de toeschouwer te doen opzitten en aandacht geven. En suksesvol, het kan niet ontkent. Met het vorderen der jaren en het stijgen van zijn roem werden de beelden eenvoudiger, groter en naar mijn idee, saaier.

Echter, Fuchs, die trouwe Dominicaan v/d Kunst (Dominicaan: lett. waakhond van God) heeft een hardnekkig, onwrikbaar geloof in Kounellis en probeerde zelfs een soort oorlogsmonument van zijn hand aan de Tweede Kamer te slijten. Is geloof ik niet gelukt, ondanks dat er toen nog geen sprake was van LPFADHD of PVVDiree (flauw!). (ZIE je! DOETtie ‘t weer! Uitdijen!)

Kortom:

Kounellis, de erudiete, geëngageerde griek, maakte in 1977 een ode aan de Industriële Revolutie: modeltreintje (stoomlocomotiefje?) rijdt eindeloos rondjes om een pilaar. Op navelhoogte.

Ik herinner mij dat beeld nog heel goed. Alleen het voortsnellende treintje, om tureluurs van te worden; al het andere was ik vergeten: de ontroerende weemoedigheid, de speelse, onschuldige eenvoud, het mooie, geniale, prachtige van de vondst, en de gotspe/durf om het zó te doen EN simpelweg te laten…

In de catalogus uit ‘81, die ik zonet gevonden heb, schrijft Fuchs vanalles maar niets hierover.

Of het moest zijn:

“Een kunstwerk snijdt diep, zeer diep in het zenuwcentrum van ons bewustzijn, om ware betekenis bloot te leggen – of om ons in het hart te treffen, verlangen te produceren en dromen te vormen”.

Dat is wel mooi gezegd, maar natuurlijk geen hond die ‘t leest.

 

zkv 49: Zelven

Dichteres, kokkin, cultuurfilosofe en verrukkuluke columniste Marjoleine de Vos had het in de NRC over “zen worden”. En wel tijdens het peultjes schillen, garnalen pellen, of walnoten ontvliezen, (kwistnie dattie dingen “vliezen” hadden!) al dat saaie voorbereidende werk, dat nu eenmaal gedaan moet worden, wil de geniale kok aan de ware kookKunst kunnen beginnen.

Dit voor de meeste stervelingen nogal geestdodende werk vergeleek zij met schilderen (huis- welteverstaan). Voordat je kan gaan aflakken moet de zaak eerst vele uren geschuurd, gestopverfd, gegrond, geplamuurd en weer geschuurd worden.

De professionals in het huisschildervak, en mijn vader J.M.C.Kars – zaliger, was er zoeen, noemen al dat geploeter vooraf het “echte”schilderen. Aflakken is natuurlijk leuk, maar als je al het voorwerk niet grondig en met zorg en aandacht hebt gedaan, is uiteindelijk aan het hele schilderen  geen eer te behalen.

M wilde die “redelijk eentonige” en “redelijk langdurige” arbeid beschouwen als een oefening in zen. “Elke gedachte aan het (eind)doel loslaten. Opgaan in wat je doet. Alleen het doel zelf zijn”.

Haar beloning is (frappant!) “rust in het hoofd”, met als kroon op deze zen-wording: “het gedachteloos ervaren van een kalme vrede”.

Als ik dat lees ben ik meteen weer aangeland bij de leeuwerik van dichter/priester Gerald Manly Hopkins: De leeuwerik, die hoog boven het rijpe koren uitstijgt en zingt en zingt en zingt. Het kleine onogelijke vogeltje, dat, zoals de mensenziel zou kunnen doen, zuiver zichzelf aan het zijn is; doelloos, redenvrij, “zelvend”, oplossend in een eindeloos neutraal blauw zwerk. (Om even in de 19de eeuwse Romantische terminologie te blijven).

Diezelfde dag kocht ik, ter voorbereiding op mijn reis naar China, bij Van Ginkel op de Bilderdijkstraat een paar tubetjes acquarelverf, o.a. Scheveningenblauw (het mooiste blauw op aarde, vind ik). Omdat ik de kleur op het etiketbandje afgedrukt niet geloofde, draaide ik het tubetje voorzichtig open. Het had te lang in de zon gehangen. De prachtige verf welde gretig over mijn vingers naar buiten: Ze wilde worden…

Nu nog het schilderen zelf.

zkv 50: Belladonna

De “Voyager” is ongeveer de saaiste kermisattractie die ik ken:
een dozijn mensen zit op een rijtje, opgesloten in absoluut veilige, ruimteveer-getestte gordels, worden een paar meter omhoog gehesen, dan eens scheef links, dan weer snel rechts gewipt, op hun kop gezet, gewiebeld, geschud, plotseling gestopt en weer doorgedraaid. Dit gebeurt allemaal en face van het vulgus dat slappe friet vretend, suikerspinzuigend, verdwaasd en nietsziend langs sjokt. Voor de luttele som van 15 euro per rit.

Afijn, ik ben niet de aangewezen persoon om iets goeds over de kermis te zeggen. In deze culturele kwestie volg ik in de illustere voetstappen van mijn moedertje-zaliger. Als er op de TV toevallig een eenzaam dobberend bootje op woelige baren verscheen, vluchtte zij schielijk de keuken in om koffie te zetten of zoiets, bang dat ze was om van het visueel geschommel misselijk te worden.

Dat was een goed taktiek van haar, (voorkómen etc) want eenmaal misselijk, om welke reden dan ook, stress, migraine, menstruatie, zorgen, aankomende vakanties, noem maar iets, en ze blééf het. Weken aan een stuk. Overgeven tot ze niets meer had, “and then some”.

Het enige (paarden)middel dat haar op het laatst kon redden was een flinke dosis belladonna in de vorm van een zetpil. Alleen op recept verkrijgbaar.

Mijn ouders waren een groot deel van hun leven honkvaste mensen. Toch presteerde mijn moeder het om op internationaal niveau aanvallen van nausea ad fundum te krijgen: Petten Noord Holland, Heidebad, Hoge Veluwe, Berre l’Etang, Zuid Frankrijk, Adelaïde Hills Australië en Sterkstroom C.P., Zuid Afrika. (Tungelroy, Limburg telt niet mee, want daar woonde de dokter-met-apotheek-aan-huis om de hoek).

Telkens moest, na een week, tien dagen van zo’n aanval, een van ons ( in de engelstalige gebieden was ik dat) een apotheek gaan zoeken met het “receppie van Dokter Barlach, in me missaaltje, naast de Odeklonje in de linnenkas” (dit snel van tussen opeengeklemde kaken gemompeld, bang voor weer een golf niets).

Het “receppie” was in onleesbaar Latijn opgesteld. Dit verhinderde de verzamelde apothekers ter wereld niet om steeds vlekkeloos Dokter Barlach’s instructies uit te voeren. Chapeau!

De belladonna deed mijn moeder slapen. Slapen en nog eens slapen. Zolang en zo diep dat we onwillekeurig op de tenen langs haar bed slopen om te griezelen dat ze misschien wel dood kon zijn. Wanneer ze langzaam weer boven water kwam kon voorzichtig begonnen worden met wat mijn vader noemde het “opkalefateren”. (Een mooi Rotterdams woord, waar ik later nog eens op terug wil komen).

We brachten haar dan een klein kopje heel slappe thee (zondagsservies). Een kaal beschuitje met niks erop. En maar afwachten: of het erin bleef. Meestal was ze na een dag of twee, drie weer helemaal de oude.

De Bosjesmannen van zuidelijk Afrika gebruikten kleine doses belladonna om hen te helpen sneller in trance te komen bij de rituele dansen, die zij uitvoerden om mensen te genezen, regen te zoeken, of raad te vragen aan goden of voorouders. Ze deden dat niet graag, want een reis naar de onderwereld was geen kattepis. Mijn moeder moet in haar gedrogeerde slaap veel meegemaakt hebben. Daar sprak ze, jammer genoeg, niet over.