Zondag 5 oktober:Karsart Open Atelierdag van 11.00 tot 17.00uur

“Slechte kunst is braaf en beleefd
                                                      (Marini)
De kunstcriticus Maarten Beks noemde mij ooit “een beeldslaaf uit eigen vrije wil”.
Hij doelde op mijn kunstzinnige bemoeienis, toen der tijd, met India; het landschap daar, de mensen, de cultuur. Een “heilzame verslaving” noemde hij het ook, omdat het duidde op een fascinatie voor het “Andere”. De expositie ­in­atelier aanstaande zondag zal een multicultureel karakter hebben. Er hangt werk waarvoor uit diverse inspiratiebronnen is geput; Afrika, Australië, India, China. En hopelijk is dan de serie klein ­werk (ansichtkaart­formaat) waarmee ik nu bezig ben dusdanig gevorderd dat het een en ander om aan te zien is…
Welkom allemaal.
PS: Zowel Het atelier van collega Bernard Visser, de Kunsthal en het Kunstcentrumhonk in de Lichtenberg zullen te bezichtigen zijn.Alsmede, voor wie dat nog niet wist: Kunstcentrum Weert organiseert van wege haar 30­jarig bestaan een grootse Stocksale op de zondagen 12 en 19 october, Boostenzaal 1.

2014-10-karsart

LEMMALANT zkv 264 29/6/14

Gedurende het veel te korte bezoek aan Weert van de zes kunstenaars uit Hangzhou (China) aten wij (12 kunstenaars in totaal) elke avond gezamenlijk in Chinees restaurant Azië. Op de tweede avond raakte ik in gesprek via de tolk met de 78­jarige naaldkunstenares Xu Enzhen. Bepaald moment vertelde zij dat er in China een heel goede Hollandse kunstenaar was die zij kende, ene Lemmalant. Ik peinigde mijn geheugen, helaas, nooit van die man gehoord. De tolk had al enige moeite met de vertaling, want zij was ver weg afkomstig van Beijing, mevrouw Xu kwam uit Hangzhou; dat is een beetje alsof je een gesprek tussen een Groninger en een Luxemburger laat vertalen door een Vlaming. Mevrouw Xu zei nog eens de naam: “Lemmalant”. Ik vroeg om mij heen aan de collega’s of ze ooit gehoord hadden van deze nu in China gevestigde Nederlandse kunstenaar, niet dus. De Chinezen kwamen mevrouw Xu te hulp en herhaalden de naam een paar keer. “Len Malant?” “Enna Land?” “Hemmalang?” Het bood allemaal geen soelaas. Tot meneer Zhang, ook tolk maar al twintig jaar in Nederland, en een beetje doof aan het worden, ons geworstel bemerkte en luidkeels riep “Aaaah, zij buhdoelen Lembelant, van Lijn. Nakt Wakt! Lijks Moezeeoem”. Dit had genoeg anecdote kunnen zijn voor één zkv, ware het niet dat even later een identieke spraakverwarring ontstond (gelijkheid zal zijn in de kunst!), toen ik probeerde uit te leggen aan mevrouw Xu dat ik al een tijd gefascineerd ben door de taoïstische geschriften van Zhuang Zi, een Chinese schrijver/filosoof uit de 4de eeuw voor onze jaartelling. Mijn uitspraak was, voor zover je dat zelf kan beoordelen, zoals het hoort: ‘Dzwângdze’, recht uit het boek aanbevolen door de vertaler Kristofer Schipper. Evenwel, mevrouw Xu keek niet begrijpend naar onze tolk. Deze kende niet de Tao, nóch de Meesters van de Weg. Ze vroeg aan mij: “Wie is die man? Hóe zei je dat hij heette?” Ik probeerde tevergeefs nog een paar versies: “Tsjang tse”, “Dwang dzjie” “Zwang Tsuh”? Plotseling schreeuwde de goedlachse kettingroker en jadesnijder Jiang Jiaong over de tafel “Dzwângdze!!!!”. En ik zweer dat hij precies hetzelfde zei als ik. Ohh, beaamden de Chinezen in koor. Jaaaah, Dzwângdze, dié kenden ze natuurlijk. . . Ergo: Nederlands is niet makkelijker dan Chinees, en Chinees is niet moeilijker dan Nederlands.

ROTSEN zkv 15/1/15

Om redenen die er hier nu even niet toe doen, spaar ik al jaren afbeeldingen van ER’s (Eenzame Rotsen). Pas bezig, kwam ik, per het toeval dat niet bestaat, een gedichtje tegen van Simon Vinkenoog waarin mooi sprake is van een Schip van Hoop, en een Steen der Waarheid (of was het andersom? maakt niet uit). Dat moedigde mij aan – ik zat goed.

Maar de Eenzame Rots laat zich niet zo makkelijk vangen: velen komen niet door de strenge keuring waaraan ik ze moet onderwerpen. Zo mag er geen enkele verbinding zijn, onder- noch bovengronds, met ander gesteente, en eromheen dient het rustig en leeg te zijn, kalm als de zee, of de steppe. En net zoals men in de Duitse filosofie van de Intelligentie verwacht, moet ‘mijn’ rots volledige “Freischwebendigkeit” bezitten.

(Bij een bezoek aan Uluru, voorheen bekend onder de koloniale naam Ayers Rock, Australië, was het mij een waar genoegen te mogen lezen in de toelichting verstrekt aan ons bus-gezelschap, dat het wereldberoemde object één enorme kei is, waarvan minstens 80% zich onder de alluviale grond, in, geologisch gezien, zwevende toestand bevindt).

Volgens Freudianen staan alle verzamelingen simpelweg voor doodsangst. Dus, zo nu en dan, griezel ik lekker weg bij mijn rijtje beroemde eenzame stenen die ik nog moet gaan zien.

Nummer een, met dikke stip, is de Huilende Steen van Shrinagar in India. Het schijnt dat die verdriet geneest, (welliswaar alleen van weduwes, maar toch…).

Niet veel lager op de lijst komen de zingende stenen van Klaroenfontein, Zuid Afrika. Die zouden ergens op een verafgelegen boerderij, in een van die eeuwig-droge rivierbeddingen daar, liggen te wachten tot drummer WvK en ik ze komen bespelen. (Gaat even duren: W heeft ‘t in de rug)

En dan is er nog “Taihu Rock” in de National Gallery van New South Wales, Australië. Telt eigenlijk niet mee, want deze heb ik nota bene gefotografeerd, zonder te beseffen dat het hier om een prachtjuweel van een ER gaat, honderden jaren geleden (Tang Dynastie!) opgevist uit de Yangtse rivierdelta, bij het Tai-meer in China. Ik keek ernaar, maar wist toen niet wat ik zag.

Het is een forse kalkstenen zwerfsteen, 140x133x60cm, door water, zand en tijd vervormd en uitgesleten tot een enorme witte gatenkaas; een oneindig veranderlijk spel van holtes, bulten, plooien, scheuren, kronkelgangetjes, doffe texturen en glanzend gepolijste oppervlakken.

Rotsen als deze halen trucjes uit met je brein: het zijn, “drie-dimensionele Rorschachs”, die je fantasie en je waarnemingsvermogen op hol doen slaan. Hun eigenaardigheid, excentriciteit, en hun suggestieve uiterlijk brengen bij de toeschouwer een vreemd soort desoriëntatie tot stand. Contouren, schaduwkanten lijken plotseling epische bergketens, of woeste, mythische dieren; details leiden je grillige,imaginaire landschappen binnen. Middels meditatie en verbeelding helpen zulke stenen de geest openen en verruimen, zegt men…

Soms moest zo’n steen geholpen worden. In vroeger tijden, toen men nog alle tijd had, kapten de vinders/beeldhouwers, op bevel, bepaalde onwelgevoegelijke delen van de steen weg en legden hem dan weer terug in de rivier om verder te ‘groeien’; voor het esthetisch genoegen van een volgende, of nog-volgende keizer.

Ik word Rotsbezoeker! Wie sponsort mij!

(Dat laatste was een retorische vraag).

Open Atelier

“Niet het vele is goed, het goede is veel” (Goethe)

Februari wordt een goede maand: mijn werk komt op twee tentoonstellingen tegelijk:

Beelden, samen met Bernard Visser, in Gallerie StuART loft, Antwerpen; en schilderijen op een groepstentoonstelling in het ECI, het nieuwe cultureelcentrum van Roermond. In het atelier zullen deze werken nog te zien zijn, voordat ze ter expositie gaan. Tijdens de voorbereidingen stuitte ik op een reeks schilderijen op papier die ik “Tuinen v/d Geest” noemde. (Zij zijn sterk geïnspireerd door India). Ook daarvan laat ik een aantal zien.

En daar het Carnaval nadert in vrolijke huppelpas zal er waarschijnlijk ook nog wel het een en ander “Kolderesk” te zien zijn, ook al is dat dan misschien alleen in (kleur)kopie, want de Kolder Gallereej in Café Tramhalt is dan net geopend!

Zodoende: redenen genoeg om weer eens een kijkje te komen nemen, op zondag.

Wees welkom!

Karsart Open Atelier Zondag 1 februari 11:00 – 17:00 uur, IJzerenmanweg 7, Weert

2015-02

Hello world!

Welcome to WordPress. This is your first post. Edit or delete it, then start blogging!

zkv 246: KLEIN WERK

zkv 246 13/12/13

KLEIN WERK

Nu bijna twintig jaar geleden beleefde ik voor het eerst van mijn leven de Volle Rouw.

Een jaar lang schilderde ik officieel niet. Ik schreef veel. Lange brieven aan de dode, naar verre vrienden of familieleden, kaartjes naar wie maar jarig was, of pasgeboren.

Bepaald moment, op reis in Griekenland, maakte ik noodgedwongen zelf een kaart uit de kleurrijke deksel van een pakje dadels. Met een geleende blauwe viltstift en wat authentieke Griekse witkalk, een ei erdoor voor de hechting, fatsoeneerde ik een echte Karskaart.

Daarmee is het begonnen: ultra-klein, ansichtkaartformaat schilderwerk. Toen ik eenmaal thuis was kon ik niet ophouden. Eerst sobertjes aan de keukentafel, uiteindelijk weer enthousiast in het atelier. En van het een kwam het ander, ik was weer op gang.

Kaartjes maken kan spontaan zonder voorgedachten net als zkv-schrijven overal en altijd. Ondanks de verwarring zelfs ergernis die ze bij sommige mensen oproepen (“Wat ben je toch een véélschilder!”, “Waar moet dat allemaal heen?”, “D’r zit geen enkele lijn in”) zal ik ze blijven maken, want op deze manier, zo laat ik mij verzekeren door de vakbroeders van weleer, word je namelijk héél oud…

“Schilderen behoort altijd geïmproviseerd te zijn. Het resultaat zal alleen schoon zijn op voorwaarde dat de schilder zichzelf enigermate laat gaan en al schilderend de dingen ontdekt.”

                                                                                                                   (Eugène Delacroix)

zkv 244 23/11/13: KWARTS

Het is vooralsnog onduidelijk hoe precies onze menswording geschiedde.

Zeker is onderhand wel dat het uitvinden en maken van gereedschap van groot belang was en is.

Duizenden, nee, tien-duizenden jaren voldeed een vlijmscherp “genapte” (uit het Engels) vuurstenen werktuig aan alle vereisten van de overleving. Doorheen de ganse prehistorie was er nauwelijks enige behoefte om aan het originele ontwerp van stenen pijlpunt, priem, schraper of aks te sleutelen. (Don’t mess with the car while it’s still going?)

Was dat simpel een kwestie van: zolang functies niet veranderen blijven vormen hetzelfde?

Zou je denken, ja…

Bij recent onderzoek naar de oudste bewoning van de mens op aarde (Blombos Cave, Zuid Afrika, waarschijnlijk toch tot 50.000 jaar oud) kwamen behalve scheepsladingen parelmoerschelpen, want het waren strandjutters, ook in de verschillende tijdlagen sporadisch kleine stukjes transparante of witte kwarts tevoorschijn, afslagen van werktuigproductie..

Nu weet iedere archeoloog dat kwarts zich uitzonderlijk moeilijk laat bewerken. Het is  weerbarstig materiaal, wat op onvoorspelbare wijze breekt wanneer je er vorm aan wil geven. Je moet van goed huize komen als werktuigbouwkundige-avant-le-lettre om er ook maar iets fatsoenlijks van te fabrieken. Dus: waarom kozen ze, soms, voor moeilijk, terwijl makkelijk zo voor de hand lag? Vuursteen genoeg in de buurt.

Een theorie, (Sven Ouzman, 1998, Pretoria University ZA) houdt het erop dat in deze alles draait om licht:

Het letterlijke licht van mensenvuur in het oerduister van de wildernis.

Het godenlicht van de voorouders die als sterren schitteren aan de hemel.

Het licht als spoor waarlangs de sjamaan in trance zijn weg vindt in en uit de andere wereld waar dieren en mensen hetzelfde zijn en elkaar raad geven. .

Ze maakten hun werktuigen uit kwarts omdat het vonkte, licht gaf, en daarmee vertrouwen in de toekomst schiep.

nieuwe promo voor SOUND 2013

[ylwm_vimeo height=”400″ width=”600″]58621171[/ylwm_vimeo]

zkv 80: MOEDERTJE

MOEDERTJE

Mijn moedertje-zaliger is alles bij elkaar 27 keer gevallen voordat ze, niet aan het vallen maar aan het oud worden, uiteindelijk overleed. Gaten in haar hoofd, blauwe plekken, gekneusde ribben, kapotte knieën, scheur in het bekken, gebroken heup. Het bleek een vermomde zegen toen ze aan het eind van haar leven, niet meer goed wist waar ze was of waarom en haar korte termijn geheugen vrijwel geheel verdween. Wat je vergeet heb je niet meegemaakt.
Ze kon niet meer zelfstandig wonen en moest naar een tehuis. Dat ging niet van een leien dakje.
Nederland is op z’n smalst in Zorgland.
Een ex-nonnenklooster in Brabant nam haar het eerst op. Klein gerieflijk kamertje, uitzicht op een boompartij, parkeerplaats, weide met schapen erin, voortvarende, kordate verpleegsters, aardige, stille verzorgsters, eens per week dokters controle, natje, droogje, ergotherapie, knutsel-lessen, alles puik in orde. Met het Kerstdiner mocht de familie meedoen.
Ze viel daar 8 keer. Uit haar rolstoel. En wat voor formulieren wij en zij ook invulden: geen toestemming om haar met een riempje of een aanklikbaar eetblad in die stoel vast te zetten, want dat was tegen de wet.
Toen we een maand later een echt verzorgingstehuis vonden, dichterbij, waren we de koning te rijk. Nu konden we haar meer en makkelijker bezoeken, beter op haar letten. De tweede dag dat ze er verbleef viel ze, ondanks uitvoerige instructies en waarschuwingen, bij het aankleden s’morgens met haar hoofd tegen het roestvrijstalen nachtkastje: 5 hechtingen.
Gelukkig vergat ze de dingen nu steeds sneller: “Wat doen die rare draadjes op mijn voorhoofd”, vroeg ze een paar dagen later. “Ik krijg ze maar niet weg”.
Op een dag zit ik in de trein. Telefoon. Ma: “JA!… ben jij dat Rob? Oh, gelukkig, ja d’r lag hier een telefoonnummer op een papiertje naast die telefoon. En ik dacht dat za’k maar ‘s bellen, zeg luisteris, ik ben hier op een kamertje, van een hotel of zoiets geloof ik, en het is wel mooi uitzicht hier, maar waarom moet ik hier zijn eigenlijk? Weet JIJ dat? Trouwens, kommemaar gauw halen, dat ik naar huis kan, dat lijkt me veel beter…”
De hele coupé gaat nu meeluisteren, realiseer ik me terwijl ik haar voorzichtig antwoord: “ Ach, moedertje, je bent in Huize Johanna. Je logeert daar want je valt alsmaar, zonder dat je het weet, s’ nachts en zo. Dan gaat er van alles mis met je, moet je weer naar het ziekenhuis, allemaal heel vervelend. Daarom ben je daar, zodat er goed voor je gezorgd kan worden…
“Oh…”, zegt ze.
Het is een zwaar beladen “oh” waar vanalles in zit wat ik niet wil horen.
“Ma, druk maar even op dat witte belletje naast je stoel, dan komt er een verpleegster en die zal het je allemaal uitleggen. Wel even geduld want misschien moeten ze van ver komen. En NIET zelf uit die stoel gaan, hoor, anders val je misschien weer en dan zijn we nog verder van huis…
Heb je gedrukt? OK, goed zo. Zeg, heb je al gegeten? Nee? Nou dan komen ze je zo halen, hoor. Moenie worrie nie mamma, alles komt goed, hoor. En Babs komt vanavond naar je toe. Ik ben er morgenavond weer.Tot dan hè… hou je taai, moedertje, daag.”
Bij het verlaten van de trein zag ik even verderop een echtpaar zitten dat ik vagelijk kende.
Ze groetten mij, ik hen. “We hoorden je praten, Rob,” zei zij, “Onze moeder had vorige week precies hetzelfde. Wij weten hoe het is, wat je doormaakt. Sterkte d’r mee.” Ik mompelde een dankjewel-ja-jullie-ook en stapte jankend uit.

Rob Kars