Zeer Korte Verhalen

zkv 41: Zeven Stanza’s

Vorige maand kocht ik zeven keer een appel bij de Super in de Kashmirstraat.

Telkens wachtte ik tot er een lange rij stond bij kassa 1. Meestal werkt daar de Oogverblindende Godin-zelve, zij die uit het verre Shrinagar komt, alwaar de heilige stenen wenen van geluk omdat zij hen met haar rinkelende, blote voeten streelt.

Amandelvormig zijn haar ontvankelijke ogen, waarin mijn geest verdrinkt. Volmaakt gevormd is de weergaloze gouden tempel van haar zuivere, symmetrische gezicht, ovaal en zonder onhebbelijkheid.

Haar mond heeft het zachtst denkbare roze van een heel schuchtere roos. Als zij lacht ontsnappen zeldzame, kleine witte duifjes even uit haar keel.

Terwijl zij kijkt en telt en tikt (o nageltjes van parelmoer, wat heeft haar moeder haar allemaal geleerd!) en peinzend aan het eind om “zegels?” vraagt, doet het langzaam tergen van haar ranke hals (hoe kwetsbaar is de grazende ree) mij huiveren, verlegen.

Sprakeloos, ontdaan van wil of strijdbaarheid, geef ik haar klungelend, hoofdschuddend op de wijze van die uit Utar Pradesh (geen ja, maar ook tegelijk geen nee), mijn niemandallerige cash.

 

“Allow me, madame, to catch my breath afore I use it all to praise thee”. (Marlowe)

zkv 40: Politievrouw

Evenals de voltijdanarchist en politiedocent-in-ruste AL.S ben ook ik in princiepe bang van politie.

Ik schrik me altijd te pletter als ik ze, vanaf Iny’s balkon, met sirene en zwaailicht over de trambaan in het midden van de Linnaeusstraat zie/hoor racen, (dat ik tegelijkertijd denk: hoe zat ‘t ook alweer met dat Dopplereffect? helpt helemaal niets aan de zenuwen in mijn strot).

Edoch, het kan verkeren: Laatst, in het zachte, toevallig zonnige, zuiden des lands, was ik in het geheel niet bang toen een gloednieuwe, mountainbike-bereden politieagenTE, haar hoogblonde paardestaart koket-wippend vanonder haar Diana-culotje, mij op mijn 25jaaroude Union-herenfiets-met-trommelremmen, drie versnellingen EN werkend achterlicht, klem reed tegen de stoeprand van het fietspad Kazernelaan. Net buiten het centrum.  Aan de arme kant van de stoplichten.

Ik had zonder nadenken overgestoken door rood en dát op het voetgangersgedeelte van het trottoir, zei de strak getrainde, keurig geüniformeerde jongedame. (hoe heerlijk is het toch om als man op leeftijd gewoon, zonder enige gène of consequentie, te mogen spreken van “jongedame”. Het had met gemak mijn dochter kunnen zijn.)

Ze hijgde een beetje. Vertederend zenuw-zweet verscheen op haar bovenlip. Helemaal voor de bijl ging ik toen ze met trillende handen haar bonnenboekje open deed en haar ambstbalpen prompt dienst weigerde. Had ik misschien de eer haar Eerste Bekeuring te mogen zijn? Ik werd helemaal warm van binnen. Minzaam glimlachend, (oud sekreet dat ik ben), bood ik haar mijn goud-op-snee Wasserman-vulpen aan, maar daar kon ze niet mee doordrukken op het carbonpapier. Wist ze meteen. Tot tweemaal toe moesten wij uit de weg voor doorgaand fietsverkeer terwijl zij naarstig in het fietstasje onder haar zadel een werkende pen zocht, en vond. Nadat ze mij op de bon had geslingerd, schoot ze opgelucht, als een speer terug de stad in, zonder me verder een goede dag toe te wensen.

Er is vast een vakterm voor zo’n “eerste keer”: Ars Hymeara, of zoiets?

Nee, zegt Henk S (classicus). Zij beoefende op voorbeeldige wijze de Ars Vituperandi, de Kunst van het Berispen. Daar kon ik inkomen; in het engels gebruikt men het afgeleidde “vituperation” voor scheldkanonnade. Maar het klopt ook weer niet helemaal, want er viel geen ongetogen woord gedurende de hele transactie.

zkv 38: Drie Dingen

(oftewel: All good things come in three.)

Eerst het grappige meisje op de fiets met het filmische bolhoedje achterop haar hoofd en haar Frans aandoende lach van herkenning, of was het vertedering, toen ze ons zag lopen arm in arm, precies op die dag 16 jaar al zielsgelukkig niet-getrouwd en beide even prachtig grijs.

“Tweeds” (zei mijn jongste zoon van 7 altijd als zijn oudere broer weer eens de eerste plaats had opgeëist): twee traditioneel gekleede Somalische mannen, klikklikkend in gesprek, kalm, rustig lopend weerszijde van een spiksplinternieuwe lichtgewicht damesfiets. Tussen hen in op de fragile bagagedrager hielden ze samen in evenwicht een volle plastic tas met opdruk, forse letters, KEEP IN TOUCH. Het LET’S dat bovenaan stond verdween in hun innig verstrengelde handen. (Wat is het geluid van één hand klappende?)

En het derde was het glorieuze twee-in-een spel van een pronte, zwoegende, dansende boezem, nauwelijks verhuld door soepel, paars tricot. Ze liep duidelijk aan het eind van haar Latijn en toch was het Genieten. Een eindje achter haar reed langzaam, afstand houdend, een jongevader met twee zon-blonde peuters in zijn moderne bakfiets.nl.

 

IV. De Weg is als een leeg vat, en, ondanks gebruik, wordt hij nooit vol. Hoe grondeloos is hij, als de stamvader der tienduizend dingen! Hoe diep is hij, alsof hij altijd blijft!

(Tau-te-tsjing vert. Duyvendak)

zkv 39: Ear

Beeldend kunstenaars de naam waardig lopen met hun hoofd in de wolken en hun ogen naar de grond gericht. Zo kon het mij ontgaan laatst, hybris impliciet), toen ik een kaart moest posten op de Oosterparklaan, dat het al jaren dichtgespijkerde callcenter naast het postkantoor, in de steigers stond: het werd verbouwd. Tot theecafé, om maar een eufemisme te noemen.

De engelse dichter Wordsworth, zag er totaal geen been in om tijdens verblijf in zij geliefde, veel bezongen Lake District (midden Engeland) regelmatig 12mijl te lopen naar de dichtsbijzijnde herberg met een Royal Mail loket. Daar gaf hij dan zijn brief af, dronk een “pint o’ bitter” en liep weer naar huis. Onderweg vond hij eigenhandig de Romantiek uit, waar wij, volgens sommige zeer slimme denkers, nog steeds niet helemaal “uit” zijn.

Op mijn terugweg geen romantische gedachten, wel zag ik tussen de pijpen van de steigers door, naast de half gesloopte entree van het door gsm-geweld gesneuvelde center een gebroken reclamebord waarop in vette letters nog net  EAR te lezen was. Melancholie overkwam mij en ik ‘trok’ een foto (wat is het vlaams toch mooi nederlands).

Ik treuzelde  een beetje, want ik wilde het goed doen, op een kunstwaardige manier.

Fout, fout, FOUT! (Ars celare artem, weet je dat nou nog niet? Het kunstige moet verborgen; mag nooit opvallen) (cést le truc qui fait la musique). Een kale, gezette man met  rood, zweetdruipend hoofd kwam, snor in de aanslag, uit de donkere krochten van het voormalig center gesteggeld en riep: “Hey, hey! Whatta jij doen!” Ik stopte en liet hem op mijn camera de foto zien en ik zei erbij: “Kijk, hier staat OOR. Dat vond ik leuk”. De opgewonde man keek ongelovig naar de foto, snapte er geen jota* van. “NAAAI”, zei hij. “Ish maijn café. Jij maggie niet fotografier. Mis kien jij gemeinte? En dann wat!!!!”

In een fractie van een seconde ontbrande bij mij de heilige woede. Als een braambos in lichterlaaie, stond ik. Ik zou toch godnondeknettersodeju zeker ZELF weten wat ik ging fotograferen of niet! Wat dacht de eikel wel! Ben geen kiekjesmaker! En we leven in een vrij land, nog steeds, bekrompen hufter!

Zeggen deed ik natuurlijk niets van dit alles. Ik maakte dat ik weg kwam. Heb wel verontwaardigd, luid geschamperd: “Neenéééhh. Zó gaat dat hier niet. I shoot what I want!” (wat ik dáár nou weer mee bedoelde, mag Joost weten.)

 

* jota:  (Grieks) kleinste letter v/hun alfabet, (Jiddisch) aanwijsstokje gebruikt in de bar mitswa-ceremonie bij het lezen van hun tora. Net als bij de koran lees je in de joodse bijbel het Onaanraakbare Woord Gods van rechts naar links. Op je dertiende, ongeveer, bewijs je daarmee je manwording, want je kunt lezen wat Geschreven staat.

zkv 37: Hergebruik

Half-oude, onbemerkt ingelopen schoenen, daar hou ik van, die zitten nog jaren lekker. En vaak gewassen hemden, (ze moeten wel niet rafelen, want dat is slordig, zegt Iny), die voelen als een vertrouwd, gezellig tweede huis. Je eerste huis, voor wie ‘t nog niet wist, is natuurlijk je vel (dat weet elke architect). Maar ook niet te versmaden zijn nette, door tevreden lijven voorgevormde broeken. En een anoniem, met liefde gebreeën (of gebreid, nee, liever gebreeën) vest, waarvan de rits het zo nu en dan best eens mag laten afweten, draag ik met veel genoegen tot er flinke gaten in vallen, of tot mijn vrouw (de mooiste van minstens heel Amsterdam en ver daarbuiten, dat weet iedereen) op een onbewaakt ogenblik het vod tegen het licht houdend, verontwaardigd uitroept: Kristenezielen! Rob!!! Waarvan ik inmiddels feilloos de portée begrijp: Jongen! Laat toch naar je kijken. DIT kan ècht niet meer.

Soms sputtermompel ik wat terug over “nog dragen op ‘t atelier”, “voor in de tuin”, of zoiets, wat niet helpt, daar zij mij ondertussen kent als de spreekwoordelijke broekzak en weet dat ik maar wat uit m’n nek lul.

Is niet erg. Zij doet toch niets liever dan voor zichzelf en voor mij en bofkonten nà aan heur hart, kleren zoeken in vreemd geurende tweedehandskledingzaakjes en de sjiekere kringloopwinkels (waar je, zo heb ik ondervonden, tegenwoordig het beste boeken scoort ). En zonder appel of ei, ja, voor kapitalistisch weinig geld, zit je te blitzen op de eerste rij. (Rijm hier onbedoeld).

De uitzonderlijke fijnbesnaardheid van het exotisch en vaak internationaal geschoolde personeel in deze alternatieve cultuurpaleizen, personeel dat nooit verlegen zit om een kwinkslag of een adremmiteit, maakt van het kringloopbezoek een educatief-culturele belevenis. Gelukkig: de paradijsvogel leeft! (A.L.Snijders zij geprezen)

Had ik in het begin nog enige schroom omtrent gezondheid, karakter, afkomst of beroep van de vorige eigenaren, nu heb ik eelt op mijn ziel gekweekt, wat dat betreft. Ik loop rustig rond  in prachtige, gedistingeerde dodemanshemden en oorspronkelijk onbetaalbare colberts uit London en Shanghai.

Dat ik weleens de voortijdige afdankertjes zou kunnen dragen van perfide bankdirecteuren, beursfraudeurs of ander VVD-stemmend gespuis, het deert me niet meer. Want tenslotte blijft  niets eeuwig heel en hergebruik is aller voordeel. (Sapperloot! Alweer een onbedoeld rijm! Sinterklaas?).

Gevonden, Kringloop Willemien, te Weert, een zelfwerk-spreukentegeltje met mooi gepenseelde tekst: Als het regent in September valt Kerstmis in December. (Hou OP!)

zkv 35: Gotspe (2)

Daags nadat ik mij zo kwaad had gemaakt over de schoften van Voettong (krijg ’t niet meer uit mijn strot, laat staan op papier), die een arm, klein, Weltschmerzig, Deens schilderesje willen naaien waar je bij staat, God geve hen de bloedkanker-achter-het-hart, zou Joop Schafthuizen zeggen, daags daarna dus, werd ik in de modespecial van het Volkskrant Magazine op bladzijde 2, dubbelblads, door schaarsgeklede dames met rood, wit en zwart haar en grote Spaanse (?) waaiers, verzocht om Louis V dot kom te bezoeken. (de w’s moest ik zelf verzinnen).

Naar mijn krant luister ik wel vaker, maar ik ben niet zo bedreven in de compukijk (O Reve, wij missen U zóó) en ik heb helemaal niks met sites, logs, links enz. (wie etcetera gebruikt zei Nescio, zegt AL.S, weet niet waar het naartoe gaat, noch waar het zal eindigen en dat is helemaal waar wat mijn digitaal vermogen betreft).

Affijn, mijn zoon Nico, die van de hoed en de rand weet in dit soort zaken, hij heeft er voor geleerd, beweert dat je binnen 10 muizenklikjes bij de president van de Verenigde Staten kunt uitkomen, en warempel, binnen 4 zat ik met rode konen te lezen hoe slecht een zekere Ellen D  door Vuitton-Belgique, in “den Anvers”,  behandeld was. (Dames, koop NOOIT meer een tas in Antwerpen, en zeker en vast niet bij Vuiltong! Was haar boodschap aan het gehele Nederlandse, internettende volk.)

Zó patriottisch hoefde het voor mij nou ook weer niet, maar gaandeweg realiseerde ik mij dat E (of haar amand-van-wanten, wie weet?) hier een villeine cyber-coup had gepleegd, waardoor potentiële, vooralsnog onschuldige bezoekers van de supergelikte, koopgeilige en uiterst kunst-en-milieubewuste, officiële site ongemerkt op de hare belandden, alwaar men, om het op z’n Vlaams te zeggen, andere katten te geselen had. Toen overkwam mij een internationaal getinte euforie en ik herinnerde mij van de blauwe maandag Spaanse les: La venganza es dulce (Zoet is de wraak).

zkv 36: Stille Meren

In het Filosofie Magazine, waarop ik maar weer een abonnement genomen heb (dat bezuinigen van mij is toch een hopeloze zaak), staat een stukje genaamd DOBBEREN. Marike van B verteld daarin dat haar echte leven pas begonnen is na het verbreken van haar 11 jaar durende relatie. De ultieme bevestiging vond zij tijdens een kanovakantie in Scandinavië, varend op een stil eindeloos meer onder een helder blauwe lucht, langs magistrale bomen. Zij voelde zich ineens gelukkig en compleet.

Dat raakte mij. Als het erop aan komt, gaat niets boven roerloos drijven op stil water, in een bootje onder het oog van de maan, of gewoon, zoals je vader het voor deed, op je rug, rustig ademend, de armen gespreid, met het prachtige geluid van liefspelende kinderen op de achtergrond. Daar krijg je, waar ter wereld ook, subiet filosofische gedachten van, diepere gewaarwordingen, intens besef van tijdelijkheid en zelfs geloof in de reddende werking van het toeval.

Lot noch gebod hebben er iets mee van doen. Want pijn en genot kunnen goed naast elkaar, net als verdriet en geluk, of plezier en melancholie. En wat te denken van rouw en liefde! (daar weten wij alles van). Zo dié elkaar niet reeds natuurlijk opvolgen, zijn ze toch dikwijls oorzaak van dezelfde tranen.

In chinese kunst zie je vaak het beeld van de eenzame voerman, onderworpen aan een magistrale, hem overweldigende natuur. Een paar duizend jaar al vertegenwoordigt dat beeld  de menselijke nietigheid: Een mens is niet meer dan een pluisje op de kraag van het universum, overgeleverd aan de willekeur van Kosmische Wind. Maar tegelijkertijd is die solitaire stuurman ook symbool voor de, in die cultuur hooggewaardeerde en bewonderde, deugd van bescheidenheid, van deemoed. Het simpele bootje of bamboevlot, varend op de onmetelijke spiegel van de ziel, heeft daarom nooit een zeil, want dat is van oudsher een teken van luxe en overvloed.

zkv 33: Werk

Soms realiseer ik mij, niet plotsklaps maar op een glijdende schaal van gewaarwording, (die tot je komt des morgens als je onder de douche staat en totaal niet weet hoe de dag zal gaan)  dat ik erg geniet van dit, mijn pensionadendom. Meteen daarop slist de slang van Twijfel in mijn oor: Heb je het eigenlijk wel verdiend? Dat komt, denk ik, omdat ik, voor mijn gevoel, nooit ècht gewerkt heb. Of, nou ja, weleens gewerkt,, maar niet zó hard en zó langdurig dat ik nu kan zeggen: Poe-poe, dát was nog ‘ns ‘n arbeidsverleden!

(Mijn even goedaardig-stille als meedogenloos-cynische Ome Joop zei vaak tegen zijn vrouw Bets, als ze weer eens te laat was met het avondeten: “Zeker moe van niks geworde vandaag.” Hij had dan die dag 1200 bakstenen gelegd, of daaromtrent. En het Feminisme bestond nog niet. Geen excuus natuurlijk, hij was een Schiedamse brompot oude stempel en zijn vrouw een simpele ziel die zielsveel van hem bleef houden). (Enfin, het is ontegenzeggelijk: ik ben liever lui dan moe en wat ik fijn vind doe ik liever lang dan kort.)

(Tussen haakjes; de beroemde, prijswinnende zkv-schrijver AL.S beweert dat ()jes zetten ervoor zorgt dat het verhaal bijna stil staat. Vinden jullie dat ook?)(en moet ik daar dan wat aan doen?)(of niet?)

Misschien, nee, waarschijnlijk ongetwijfeld, is mijn mening over werk een desperaate, laatste  poging de vrijheid van de jeugd te behouden; een soort vertraagde rebellie tegen burgerzin. En het zou óók kunnen dat ik, vanwege altijd 8ten en 9ens op het rapport voor Tekenen, het maken van KUNST nooit heb gezien als “werk”, hoe moe of depressief je erook soms van kon worden.

Ondanks, uiteindelijk, een luizenbaan in het Hoger Beroeps Onderwijs, deed ik jarenlang mee als sûjet met een grootschalig werkeloosheidsonderzoek van professor Huppeldepup aan wat toen nog gewoon durfde te heten de K.U.T. (de Katholieke Universiteit Tilburg).

Eerste van de 140 meer-keuze vragen was (ik parafraseer uit het hoofd); Vindt u dat mensen moeten werken om: A. Geld te verdienen? B. Levensdoelen te verwezenlijken? C. Tijd zinvol door te komen. Met groot genoegen schreef ik ieder jaar weer in het vakje Toelichting: “ Geen van de drie. Want de mens is op aarde om geluk te vinden en pijn te vermijden”. Dat was van  Epicurus gejat. Niemand die ‘t ooit gemerkt heeft. Ze hadden het, denk ik, te druk.

zkv 34: Zwemles

Het IKje in de nrc van 16 maart ging over zwemdiploma’s, of, beter gezegd, over idiote muggenzifterij in de zwem-instructiewereld. (7 (ZEVEN!)jarige Marieke kreeg na een uur lang gekleed “af”zwemmen tóch geen  diploma omdat ze onder haar T-shirt het voorgeschreven hemdje niet aan had, dat zat nog in haar tas. Godverdegodverdegodvernogaantoe, de opa in mij wil een badmeester van zijn ingewanden ontdoen.)

Herinnering: s’Morgens half zeven, stikdonker, midden in de winter. Half in slaap bij Ma achterop de fiets naar het Sportfondsenbad op Kralingen. Het was, zeker door sneeuw en hagel, van Overschie uit, een pokke eind. Maar het moest, want we hadden een boot; daar gingen we in de zomer mee varen en ik kon nog niet zwemmen, dus het moest. En zou.

In het Sportfondsenbad waren veel grote jongens die niets liever deden dan vlak naast je in het water springen totdat je verzoop. Op een keer was het zo erg dat de badmeester mij met zijn lange witgeverfde stok met ijzeren haak naar de kant moest sleuren. De schaamte! Waarna ik niet meer verder dan een armlengte van de kant af durfde. Zwemles werd een marteling. Mijn moeder zegt dat ik vanaf dat moment elke avond huilde bij het naar bed gaan.  De mens lijdt het meest aan de pijnen die hij vreest.

Aan het eind van de les mochten we tien minuten “vrij” zwemmen, dwz met kurken om konden we “in het diepe” bij de duikplanken spelen. Wat spannend was en opwindend tegelijk. Op een keer, ik had net van de laagste plank gesprongen, zwom ik naar het trappetje aan de kant en Ma riep plotseling: “Goedzo, Robby!”, heel hard. Ik bleek mijn kurken kwijt te zijn. Ik had dus zonder reddingsvest een meter of tien gezwommen. De daaropvolgende les zei Ma aan het eind: “Zwem eens een lengte op en neer”. Toen ik dat gedaan had, zei ze: “Nou nog ‘n keer”. Ik was wel moe , maar ik deed het want mijn moeder vond dat ik ‘t kon en van mijn moeder mocht ik geen verwend jongetje worden. “Flink zijn hoor! Je ben toch ‘n knul, of niet soms!” Afgepeigerd klom ik uit het water. Ma wreef me droog met een handdoek waar iedereen bij stond! En ze zei zachtjes: “Sieso, JIJ kan ZWEMMEN!! En hier komen we nooit meer terug.” Achterop de fiets werd ik helemaal warm van binnen en ik kon wel janken van geluk en opluchting, maar dat deed ik natuurlijk niet.

zkv 30: Dood (Dappermarkt)

Wij liepen zaterdagmiddaglaat over de Dappermarkt in Amsterdam Oost, de buurt van Nescio en Karel Appel (de jongen). Plantjes kopen voor het balkon gingen we.

Maar de tanige, om niet te zeggen gelooide, en straf shag (sjek?) rokende mevrouw van het BloemEnPlantPaleis, zei dat het op dit moment voor Lobelia s’nachts veelste gevaarlijk was, vooral als je laag bij de gronds woonde. ‘t Kon best ‘n verdiepinkje of twee schelen. Ze hield ze zelf liever nog ‘n paar weekies binnen. Dus wij zagen er voorlopig van af.

Het prachtvolk slenterde en paradeerde hevig uitgedost en exotisch geurend kris-kras over de markt. Want hoe danook zou er lente komen. De naaldhakjes trilden haar reeds uit de grond. Een fors gefronteerde, niet meer piepjonge blondine, deinde op hoge zwarte stiletto’s, als een voluit opgetuid zeilschip voor de wind. Op minstens een meter afstand, rechts van haar, schommelde haar begeleider/bewaker/amant (schrappen, dat laatste, van liefde was niet veel te merken); een iets kleinere kleerkast in een versleten leren jack, handen in de zakken; misnoegen sijpelde in zijn spoor. Zij maakte zich zorgen om het zeer strakke maar te korte stretchrokje dat niet netjes over haar horizontaal, zwartwit gestreepte maillot wilde blijven zitten.

En bij de Mosselman drentelden twee nerveuze, antilliaanse vriendinnen, een zwart, de ander bijna. Ze droegen identieke kleren en hadden opgebonden afro’s (wist niet dat die weer mode waren). Ze wachtten op de derde vriendin die aan de overkant drie pikante strings voor 2 euro 25 aan het kopen was. Hun uienvel-strakke jeans lieten nauwelijks iets aan de verbeelding over. Hun billen mochten er zijn. Wie zei iets over lente?

Het was bijna vijf uur, de groenteboeren verlaagden hun prijzen.”Maak me los, mensen, maak me los, drie dozen (druiven) voor een euro en tomaatjes derbij voor niks”.

Aan het eind van de markt doemde plotseling Job Cohen voor ons op uit de massa. Hij liep druk pratend langszij een jonge, bezorgde moeder met kind-in-buggy (Oilily?). Hij keek verongelijkt, alsof hij ontevreden ergens over was. Ik wist niets beter te zeggen dan “dag!”, wat ook niet hielp.

Een man met een fiets vol plastic tassen aan de hand week voor hem uit, keek mij aan en glimlachte: “Die durft! Zomaar vrij rondlopen, zonder bewaking.” “Jaha”, zei meteen een koopman die zijn kraam al aan het afbouwen was, “Hem moste ze doodschiete, gewoon Dood.” Onthutst riep ik achterom, “Nou zeg, dat is wel erg extreem, hoor”. (ik stem tenslotte niet voor niets al mijn hele Nederlandse leven PvdA). De man met de volle fiets stopte, posteerde zich voor de adspirant moordenaar en stak ziedend van wal: “Seker PVV, niet?” begon het. Nou, hufter, ’t ging toevallig wel effetjes over de beste burgemeester die Mokum ooit gehad hep. En wat dacht die klootzak eigenlijk dattie somaar alles kon uitkrame hiero, rechtse ballenpropper!

We hoorden niet hoe het verder ging. We maakten ons doelgericht uit de voeten richting  tweedehands boekwinkel in de Tweede van Swinnenstraat. (AL.S dacht jarenlang dat herhalingen in de taal niet mooi zijn, tot zijn vriend Altena, die prachtig oud franse troubadoursliederen kan vertalen, hem kort en bondig uitlegde dat het gewoon een stom vooroordeel van hem was.)

De boekwinkel had geen John Cheever, of althans, ze dachten van niet. Wel heel veel lichtelijk onfrisse sexboekjes uit de jaren ‘60, met vrolijk gecensureerde omslagen. Ik heb die echter niet nodig. Mijn vrouw en ik, wij kunnen op onze leeftijd nog goed zonder.