zkv 51: Het Treintje v Kounellis

In ijdel gebleken navolging van Nederland’s grootste zkv-schrijver A.L.Snijders (een lang en vruchtbaar leven zij hem beschoren) wilde ik vandaag een zkv schrijven over “miniatuur”.

Ik had in de krant gelezen (VK 27/9/2011, Mirjam Bosgraaf), dat er poppenhuizen bestaan voor in poppenhuizen! Het ultieme, drie-dimensionale Droste-effect, dacht ik meteen

Maar, oi weh, oi weh, het zkv liet zich helemáál niet schrijven!

Het wilde juist uitdijen, vertakken, gaan grasduinen op de vierkante centimeter, en algeheel de kluts kwijt raken op kronkelende dwaalwegen door mijn Grand Palais van Vergeten Weetjes. (Jaja, hoogmoed, val, false pride, je weet ‘t!)

Vóór IK ‘t wist was de ochtend om zeep, opgetreuzeld met het zoeken naar dat treintje van Kounellis, een glasheldere kunstherinnering, die hardnekkiger aanwezig bleef naarmate ik meer feitelijkheden boven tafel (of is het “water”?) haalde. Ergo, blijf ik de trotse eigenaar van een welliswaar chaotische, doch zeer eclectische bibliotheek. (zoekt u dat maar eens op, ja)

De Grieks-Italiaanse beeldend kunstenaar Jannis Kounellis (1936) was tijdens het bewind van museumdirecteur/kunstgoeroe Rudi Fuchs, in de jaren ‘70-’80 een graag geziene exposant in het van Abbemuseum, Eindhoven.

Hij was/is een conceptueel/intellectueel beeldhouwer in “povere”, armetierige materialen. (Dus: jute zakken, steenkool, gipskoppen, olielampen, baksteen, ijzeren balken, gasbranders, afvalhout; van alles dat in de kunst ongebruikelijk is en daarom zonder traditie of status). Geen moeite gespaard om de toeschouwer te doen opzitten en aandacht geven. En suksesvol, het kan niet ontkent. Met het vorderen der jaren en het stijgen van zijn roem werden de beelden eenvoudiger, groter en naar mijn idee, saaier.

Echter, Fuchs, die trouwe Dominicaan v/d Kunst (Dominicaan: lett. waakhond van God) heeft een hardnekkig, onwrikbaar geloof in Kounellis en probeerde zelfs een soort oorlogsmonument van zijn hand aan de Tweede Kamer te slijten. Is geloof ik niet gelukt, ondanks dat er toen nog geen sprake was van LPFADHD of PVVDiree (flauw!). (ZIE je! DOETtie ‘t weer! Uitdijen!)

Kortom:

Kounellis, de erudiete, geëngageerde griek, maakte in 1977 een ode aan de Industriële Revolutie: modeltreintje (stoomlocomotiefje?) rijdt eindeloos rondjes om een pilaar. Op navelhoogte.

Ik herinner mij dat beeld nog heel goed. Alleen het voortsnellende treintje, om tureluurs van te worden; al het andere was ik vergeten: de ontroerende weemoedigheid, de speelse, onschuldige eenvoud, het mooie, geniale, prachtige van de vondst, en de gotspe/durf om het zó te doen EN simpelweg te laten…

In de catalogus uit ‘81, die ik zonet gevonden heb, schrijft Fuchs vanalles maar niets hierover.

Of het moest zijn:

“Een kunstwerk snijdt diep, zeer diep in het zenuwcentrum van ons bewustzijn, om ware betekenis bloot te leggen – of om ons in het hart te treffen, verlangen te produceren en dromen te vormen”.

Dat is wel mooi gezegd, maar natuurlijk geen hond die ‘t leest.

 

zkv 50: Belladonna

De “Voyager” is ongeveer de saaiste kermisattractie die ik ken:
een dozijn mensen zit op een rijtje, opgesloten in absoluut veilige, ruimteveer-getestte gordels, worden een paar meter omhoog gehesen, dan eens scheef links, dan weer snel rechts gewipt, op hun kop gezet, gewiebeld, geschud, plotseling gestopt en weer doorgedraaid. Dit gebeurt allemaal en face van het vulgus dat slappe friet vretend, suikerspinzuigend, verdwaasd en nietsziend langs sjokt. Voor de luttele som van 15 euro per rit.

Afijn, ik ben niet de aangewezen persoon om iets goeds over de kermis te zeggen. In deze culturele kwestie volg ik in de illustere voetstappen van mijn moedertje-zaliger. Als er op de TV toevallig een eenzaam dobberend bootje op woelige baren verscheen, vluchtte zij schielijk de keuken in om koffie te zetten of zoiets, bang dat ze was om van het visueel geschommel misselijk te worden.

Dat was een goed taktiek van haar, (voorkómen etc) want eenmaal misselijk, om welke reden dan ook, stress, migraine, menstruatie, zorgen, aankomende vakanties, noem maar iets, en ze blééf het. Weken aan een stuk. Overgeven tot ze niets meer had, “and then some”.

Het enige (paarden)middel dat haar op het laatst kon redden was een flinke dosis belladonna in de vorm van een zetpil. Alleen op recept verkrijgbaar.

Mijn ouders waren een groot deel van hun leven honkvaste mensen. Toch presteerde mijn moeder het om op internationaal niveau aanvallen van nausea ad fundum te krijgen: Petten Noord Holland, Heidebad, Hoge Veluwe, Berre l’Etang, Zuid Frankrijk, Adelaïde Hills Australië en Sterkstroom C.P., Zuid Afrika. (Tungelroy, Limburg telt niet mee, want daar woonde de dokter-met-apotheek-aan-huis om de hoek).

Telkens moest, na een week, tien dagen van zo’n aanval, een van ons ( in de engelstalige gebieden was ik dat) een apotheek gaan zoeken met het “receppie van Dokter Barlach, in me missaaltje, naast de Odeklonje in de linnenkas” (dit snel van tussen opeengeklemde kaken gemompeld, bang voor weer een golf niets).

Het “receppie” was in onleesbaar Latijn opgesteld. Dit verhinderde de verzamelde apothekers ter wereld niet om steeds vlekkeloos Dokter Barlach’s instructies uit te voeren. Chapeau!

De belladonna deed mijn moeder slapen. Slapen en nog eens slapen. Zolang en zo diep dat we onwillekeurig op de tenen langs haar bed slopen om te griezelen dat ze misschien wel dood kon zijn. Wanneer ze langzaam weer boven water kwam kon voorzichtig begonnen worden met wat mijn vader noemde het “opkalefateren”. (Een mooi Rotterdams woord, waar ik later nog eens op terug wil komen).

We brachten haar dan een klein kopje heel slappe thee (zondagsservies). Een kaal beschuitje met niks erop. En maar afwachten: of het erin bleef. Meestal was ze na een dag of twee, drie weer helemaal de oude.

De Bosjesmannen van zuidelijk Afrika gebruikten kleine doses belladonna om hen te helpen sneller in trance te komen bij de rituele dansen, die zij uitvoerden om mensen te genezen, regen te zoeken, of raad te vragen aan goden of voorouders. Ze deden dat niet graag, want een reis naar de onderwereld was geen kattepis. Mijn moeder moet in haar gedrogeerde slaap veel meegemaakt hebben. Daar sprak ze, jammer genoeg, niet over.

zkv 49: Zelven

Dichteres, kokkin, cultuurfilosofe en verrukkuluke columniste Marjoleine de Vos had het in de NRC over “zen worden”. En wel tijdens het peultjes schillen, garnalen pellen, of walnoten ontvliezen, (kwistnie dattie dingen “vliezen” hadden!) al dat saaie voorbereidende werk, dat nu eenmaal gedaan moet worden, wil de geniale kok aan de ware kookKunst kunnen beginnen.

Dit voor de meeste stervelingen nogal geestdodende werk vergeleek zij met schilderen (huis- welteverstaan). Voordat je kan gaan aflakken moet de zaak eerst vele uren geschuurd, gestopverfd, gegrond, geplamuurd en weer geschuurd worden.

De professionals in het huisschildervak, en mijn vader J.M.C.Kars – zaliger, was er zoeen, noemen al dat geploeter vooraf het “echte”schilderen. Aflakken is natuurlijk leuk, maar als je al het voorwerk niet grondig en met zorg en aandacht hebt gedaan, is uiteindelijk aan het hele schilderen  geen eer te behalen.

M wilde die “redelijk eentonige” en “redelijk langdurige” arbeid beschouwen als een oefening in zen. “Elke gedachte aan het (eind)doel loslaten. Opgaan in wat je doet. Alleen het doel zelf zijn”.

Haar beloning is (frappant!) “rust in het hoofd”, met als kroon op deze zen-wording: “het gedachteloos ervaren van een kalme vrede”.

Als ik dat lees ben ik meteen weer aangeland bij de leeuwerik van dichter/priester Gerald Manly Hopkins: De leeuwerik, die hoog boven het rijpe koren uitstijgt en zingt en zingt en zingt. Het kleine onogelijke vogeltje, dat, zoals de mensenziel zou kunnen doen, zuiver zichzelf aan het zijn is; doelloos, redenvrij, “zelvend”, oplossend in een eindeloos neutraal blauw zwerk. (Om even in de 19de eeuwse Romantische terminologie te blijven).

Diezelfde dag kocht ik, ter voorbereiding op mijn reis naar China, bij Van Ginkel op de Bilderdijkstraat een paar tubetjes acquarelverf, o.a. Scheveningenblauw (het mooiste blauw op aarde, vind ik). Omdat ik de kleur op het etiketbandje afgedrukt niet geloofde, draaide ik het tubetje voorzichtig open. Het had te lang in de zon gehangen. De prachtige verf welde gretig over mijn vingers naar buiten: Ze wilde worden…

Nu nog het schilderen zelf.

zkv 48: Stropdas

Hier, aan de overkant, loopt op gepaste tijden en met duidelijk grote haast, een zeer  gedistingeerde heer op leeftijd voorbij. Hij draagt altijd een donker blauw streepjespak, hagelwit overhemd en Madonnablauwe das. Het lijkt alsof hij voor de fitness loopt, al is hij er geenszins op gekleed. Overdressed, so to speak!

[De stropdas is oorspronkelijk ontwikkeld in de 9de en 10de eeuw door de Noormannen, tijdens hun langdurige bezetting van Noord/Oost Engeland. Alle engelse stadsnamen eindigend op -cy herinneren aan die tijd, toen ze Deense kolonies waren. En onthou ook even dat Hamlet een Deense prins was… De veroveraars slachtten destijds allereerst de vechtersbazen af, maar spaarden over het algemeen de adel, want die hadden ze nodig als administrateurs van hun bewind. Ze dwongen hen om in het openbaar, in functie als tienden-, tol-, of belasting-inner,  een galgenstrop te dragen, ten teken dat als er ook maar iets niet klopte in de boeken, of wat sociale onrust betrof, ze meteen zonder pardon konden worden opgeknoopt aan de dichtsbijzijnde boom.

Een perfide doch slimme maatregel: De bevolking kon direct zien hoe de kaarten, in hun nadeel, geschud waren. En men had geen goede reden om wraak te nemen op de collaborateurs omdat die duidelijk zelf gegijzelden waren van de onderdrukker.

Na verloop van tijd werd de strop een geuzenteken. Andere mannen van standing gingen iets soortgelijks dragen uit solidariteit, of om gewoon ergens belangrijks bij te horen. Een beetje zoals de Deense (of was het de Noorse koning?) die na de Duitse overname in WWII met een gele jodenster op zijn jas gespeld op het bordes voor zijn paleis verscheen.]

Zo, nu weten we waarom het “strop”-das heet.

Zelf ben ik, als oude hippy, nogal geporteerd van deze accessoire, alhoewel ik er nooit meer een draag. Dat komt, zoals alles, door mijn moeder. Die heeft mij fatsoendelijk opgevoed: schone onderbroek, gestreken zakdoek, glimmend gepoetste schoenen, vouw in je broek, scheiding in het haar, want anders “loop je d’r voor schobberdebonk bij”. Hetgeen blijkbaar héééél erg was…

En het komt ook door Iny, die bij alle stropdassen griezelt, omdat ze dan herinnerd wordt aan oppermachtige “Ooms”, die haar en haar even beeldschone zusjes het tienerleven zuur maakten met hun “nette”, heerszuchtige geilheid.

Dit alles heeft niets van doen met mijn doelgerichte snelwandelaar-in-pak. Hij loopt, denk ik

toch, op een of andere manier naar Isfahan.

zkv 47: Luistervink

Onze Syl, de altijd-guitige columniste Sylvia Witteman, betrapte vanmorgen in de VK een sms-bekwaam 16-jarig meisje op het hebben van een zeikerig bezorgde vader en een hele lieve, zorgzame oma. Ze had ook een blauw wit honkbaljackje aan en at een sinasappel, maar dat heeft er, voorlopig, nog niets mee te maken.

Syl was weer eens aan het “eavesdroppen”. (da’s engels voor “luistervinken”, mooi hè?) Ik kwam op dat woord omdat “afluisteren” zo niksig is. En je bent tweetalig of niet, dus…

Volgens de Dikke is een luistervink iemand die als een vink, d.i. zeer scherp, afluistert. Zat een zegswijze bij: “Liever een dief aan de klink, dan een luistervink”. Waarna ik (molentje, molentje, waar maalt gij henen?) wilde weten wat nu eigenlijk een eavesdropper is.

Van oorsprong, Oud Noors, de taal der Vikingen, is dat “iemand die onder de muren meeluistert”.

Onder de muren? Ze bedoelen onder de “eaves” (overstekende randen van een dak; daar waar we tegenwoordig de dakgoten aan ophangen).

Het zit natuurlijk zó: In de koude noordelijke regionen, groef men vroeger voor mens en dier (het eeuwenoude domestiek verbond) een flink gat in de grond en maakte daarover een nog flinker dak van plaggen, stro en riet, dusdanig dat het regenwater buiten bleef en de zaak niet onderliep.

Na een tijdje kreeg men kapsones, wilde rechtop in huis lopen.  Zo kwamen er muurtjes waarop de dakspanten rustten. Toen kon je s’avonds, (gedane arbeid, lekker gegeten, familie gezellig bijeen rond het vuur,) als je buiten stond, goed horen, ongezien, hoe ze binnen over je aan het roddelen waren. Dát is tenslotte, en ik zuig het niet duim, èchtwaar, de noodzaak van de taal. Duizenden jaren draaide het mensenras prima op gebaren, houding, blik, dans en hier en daar een kreet. Pas toen we een “ik” ontwikkelden werd het van belang om de oplopende spanningen tussen individu en groep te ontladen middels lofprijzing, overdrijving, heldenverering, verguizing, kwaadsprekerij, karaktermoord, of redzame humor.

Terug naar het meeluisteren: Als je meer wilde horen, moest je gebukt onder het afdak, onder de “eaves” gaan staan, je oor te luisteren leggen, en je koest houden, natuurlijk, want het was al gauw niet netjes om te doen…

“Luistervink” is ook mooi, maar heeft niet dat slinkse, verraderlijke van de eavesdropper, de “upsardropi” in zich.

Over dieven gesproken: leerden we niet reeds op de Lagere School, uit de overvolle schoolplaten van Jetses of Gabrielse dat alles pais en vree was in de Hollandse wereld, behalve wanneer de Noormannen met hun gevleugelde helmen en hun bliksemsnelle drakenschepen op bezoek kwamen? Zouden ze toen ook al begrepen hebben dat het gevaar van binnen vaak erger is dan dat van buiten?

zkv 46: Dragers van Water

De vader van Judy Malan, (Judy ja, de verbijsterende schroomvallige schoonheid in de college- banken van Engels II (UCT, University of Cape Town, Zuid Afrika, 1965), lang blond haar tot aan haar kont, benen totaan haar schouders, een glimlach om voor te sterven van verlangen,) die vader van haar dus, was een zwijgzame, norse geoloog van stand. Jarenlang werkte hij voor De Beers en Anglo American aan de exploratie van diamanten, goud, olie, ijzer, uranium, you name it we dig it, in de meest onherbergzame gebieden van zuidelijk Afrika, voornamelijk in wat toen Suidwes heette, nu Angola, Namibië en Botswana.

Hij zei bijna nooit wat. Sprak gewoon niet. Misschien omdat zijn vrouw nooit stopte met praten? Of de rest van de mensheid bevond zich ver beneden zijn niveau ? Maar over twee onderwerpen kon hij volumineus en met passie oreren: stenen en negers.

Omtrent het eerste was zijn vakkennis formidabel, landelijk en internationaal erkend. Over het andere hanteerde hij rabiaat racistische denkbeelden. Achteloos opgedaan tijdens zijn stagetijd in de bruinkoolmijnen van het Ruhrgebied, Duitsland jaren ‘30. Een ratjetou van uitspraken en kreten uit het hufterclubje Göbbels, Hitler, Goering. Over blanke, cq Kaukasische superieuriteit, gelardeerd met bijbels apekool-bewijs, dat de zwarte mens ontsproten is aan de verstotelingen van Ham, de oer-israëlitische “hakkers van hout en dragers van water”. Op zich niets verwonderlijks in de context van Apartheid Zuid Afrika uit de jaren ‘60.

Merkwaardig was, dat in zijn tirades, hij altijd, als het te pas kwam, met de grootst mogelijke waardering en genegenheid sprak over Bosjesmannen, toch ook een niet-europeesch ras.

Deze Eerste Mensen, die we, genetisch bewijs in hand, nu gerust zo mogen noemen, of  “kinderen van het veld”, zoals ze zelf wilden heten, omdat ze nog leefden “in the Old Way” had hij vaak ontmoet. Niet uit nieuwsgierigheid, maar omdat hij op zijn lange tochten in de Landrover, met 2 of 3 Herero’s achterop (voor het vuile werk), herhaaldelijk van hen kon horen waar het goede water was en wanneer het zou gaan regenen. Regen, gras, wild, survival. Oud rideltje.

Op een of andere manier waren zijn abjecte ideeën over ras en volksaard op de Khoi-San niet van toepassing. (“Khoi-San” mocht je niet zeggen. Hij wist, toen al (!), dat dat een scheldnaam voor ze was, van de buurtvolkeren). Hij had een raar soort compassie met hen. Bewonderde hun levenskracht en hun taaie volharding tegenover de nietsontziende neutraliteit van de natuur. Misschien wist hij, van binnen uit, hoe makkelijk het is om zomaar te sterven in de kale schoot van moeder aarde.

Afijn, Judy trouwde uiteindelijk toch maar met mijn goede vriend Ian. Mogelijkerwijs juist omdát haar moeder dat lang, roodharig, ditto-baardig, kwart-Schots tuig van een schoonzoon niet kon uitstaan. Kort daarop overleed Mister Malan in het genoeglijke Kaapstad aan zijn tweede hartaanval. Missus Malan trok meteen bij haar dochter in, om ettelijke jaren, bij vol verstand, willens en wetens, haar uiterste best te doen dat overigens uitstekende huwelijk kapot te stoken.

Echter, dat is water, brug, oud zeer, zou neef Willem zeggen.

In november gaat het eerste kleinkind Karen trouwen. Met een net afgestudeerde politicoloog uit Potchefstroom. Zij heeft een razend zware baan bij de Vrouwenvereniging Black Sash. Hij kon geen werk vinden.(Black Empowernment, hè. Zwart is tegenwoordig het nieuwe blank). Hij doet nu een maand on-, een maand off-duty op een BP booreiland voor de kust van Gambia. Het is geen leven, maar betaald goed. Ze weten niet of ze in Zuid Afrika kunnen blijven, zo.

zkv 45: (kind,was)

Ik kloeg laatst ten overstaan van mijn dierbare neef Willem, dat het upgraden van mijn Flash Player zo moeilijk was. ( Als u dit niet begrijpt heeft uitleggen toch geen zin.)

Neef Willem spart graag met de taal, liefst tot zij buigt of barst. Soms kneedt hij haar zelfs op atomair niveau. Ik was dus niet echt verrast toen ik van hem een mailtje ontving, dat bestond uit een prachtig blauw oplichtende http-link met daarachter, tussen haakjes: (kind, was).

In gedachten vouwde ik reeds de handen en boog in zen-boedhistische dankbaarheid!

Zijn bondig advies bracht ene Father O’neill (derde generatie Iers) terug uit mijn Australische vergetelheid, levend en wel in het hier-en-nu. “Goodday, Father, an how ‘re ye dis fine mornin’?”

Ik weet niet meer of ik het gelezen heb in een Reader’s Digest uit de (toen, jaren ‘60!) enige tweedehandsboek/tijdschriftwinkel in Adelaide, of gewoon gehoord als mop, maar het verhaal gaat, behoudens enige aanpassingen van fantasievolle aard, als volgt:

Father O’neill, was jarenlang aalmoezenier bij het Australische leger. Diende in Korea, de Fillipijnen en op Nieuw Guinea. Overal waar nog een sliertje Brits Keizerrijk te verdedigen viel, of waar de belangen van bondgenoot Verenigde Staten gediend konden worden. (Influx van Aziatische immigranten ten spijt, zweren Australiërs nog steeds bij de koningin van Engeland en zien ze Amerika als Groot Voorbeeld van hoe het moet in de wereld en met de mensheid)

O’neill was zeer geliefd bij zijn voornamelijk goddeloze manschappen omwille van zowel korte, krachtige preken als het legendarisch alcoholisch vermogen dat hij in zijn mars had. Maar hij was ook socialist in hart en nieren, alleen mocht niemand dat weten.

Op zijn eerste “tour-of-duty” werd hij door een select groepje Britse officieren uitgenodigd vóór te gaan in gebed aan het sumptueuze, exquise, schandalig decadente Kerstmaal, speciaal ingevlogen uit Hongkong of Sydney.

Formaliteit, decorum, klassebewustzijn, traditie,de nestwarmte van macht en status, standing, etiquette en adellijk fatsoen; de lucht was er zwanger van. Eigendunk en zelfverheerlijking hingen in de ruimte als rook van zwaar illegale Havana’s.

Op het moment suprême stond O’neill op, legde zijn sigaar op het zilveren schaaltje naast zijn bord en vouwde de handen. Iedereen deed zoals hij, sloot de ogen en wachtte af wat voor zalvende, mooie, berustende en opbeurende woorden de padre had te brengen. Een heilige stilte daalde neer over het gehoor. Toen sprak hij, zei: “Holy Pa, ta”. En ging zitten, rukte zijn servet uit de ring, over zijn schoot en riep: “Let’s eat!”

(Het had nog korter gekund. Hij had kunnen bidden: “Ta, Mate” ( Bedankt, Makker), maar hoe zeg je een hoofdletter in het openbaar?)

zkv 44: Zwagerman Meets Rothko

Met “Über allen Gipfeln ist Ruh…” (de pianopartij) over de Belgische radio in het ene oor, luisterde ik via het andere naar mijn jongste zoon; hoe hij, geniaal, snel en behendig, aan de andere kant van de allang niet meer bestaande “lijn”, op afstand (!) mijn computerchaos ordende. (Voor de zoveelste keer, want ik ben oud en computer-moe en wil maar niet leren “hoe ‘t moet”.)

Edoch, die jeugd van tegenwoordig heeft niet voor niets het multitasken uitgevonden, dus terwijl zijn cursor over mijn scherm vloog (vraag me niet hoe dat kan, het gebeurde!) voerden wij een gesprek. Over alles. Uiteindelijk ging het over schoonheid en sentiment.

Of, lekker moeilijk gezegd: wij bekenden aan elkaar, hoe wij, waaraggies èchte mannen zijnde, toch soms stilletjes zitten te huilen bij gênant-kleffe TV-kitsch van muzikale, dan wel filmische aard. En dat tijdens het zien/horen van bepaalde privacy-schendende, publieke ontboezemingen op het verraderlijke terrein van de Liefde, niet zelden onze tranen ‘t winnen van plaatsvervangend schaamrood.

Zoonlief voelt zich daarna toch ‘n beetje een watje (zei hij), niet zozeer vanwege het huilen, want dat lucht gewoon op, maar omdat de geboden aanleidingen meestal allure nog kwaliteit bezitten. Ik heb die reserve niet (65+ en de schaamte voorbij, geloof ik…).

Picasso banjerde mijn gedachten binnen: “Dans elle (l’emotion) il n’ y a pas un quartier de noblesse”. Waarmee deze slimme publiciteitsgeilaard ongetwijfeld probeerde te vergoelijken hoe hij zijn ex, Dora Maar, tijdens portretsessies in de dertiger jaren, op de meest schofterige manier dusdanig zat te treiteren dat ze wel in tranen moest uitbarsten. Zo kon hij het  huilen-zelf “treffen”. En hij deed dat weergaloos EN weerzinwekkend mooi, tegelijk… Maar daar hadden we het niet over.

Aan de basis van ons gesprek lag een krantenartikel van Joost Zwagerman.

Hij vertelde dat er mensen zijn (jaja: ‘suspension of disbelief’, graag) die spontaan beginnen te huilen bij het ondergaan van de 100% abstracte schilderijen van Mark Rothko.

“Waar precies huilen die mensen om?” vroeg Joost, retorisch.

Zich verontschuldigend voor de grote woorden, nodig om “te raken aan een ijle stilte en aan broze diepten van het gemoed”, concludeerde hij dat het gaat “om een op te vangen glimp van naakte nietigheid, van een fluisterend (en verlossend) nee tegen de wereld. En een ja tegen de onontkoombaarheid van het Niets”.

Stilte, Diepte, Nietigheid, Niets: daar had je ze weer, de schikgodinnen van het sublieme…

“Oké, pap” zei Nico. “Nou een uur lang nergens aankomen, dan ben je weer helemaal opgeschoond”.

Volgende week gaat hij me leren Skypen. Ik zie de bui al hangen.